Belanghebbende kwam in verzet tegen de uitspraak van het Gerechtshof die het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde omdat een recente machtiging niet tijdig was ingediend. Het hof wees erop dat belanghebbende via het webportaal was geïnformeerd over het ontbreken van de machtiging en de gronden van het hoger beroep, en een termijn was gesteld om dit te herstellen.
Hoewel belanghebbende verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden en de machtiging, werd alleen het verzoek voor de machtiging gehonoreerd met een verlenging tot 3 september 2024. De machtiging werd echter pas op 6 september 2024 ingediend, derhalve te laat. Belanghebbende gaf geen verschoonbare redenen voor de late indiening.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en dat het verzet ongegrond was. Het hof wees ook het standpunt van belanghebbende af dat het hof verplicht was prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, en bevestigde dat het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht wordt uitgelegd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 21 mei 2025.