Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[medeverdachte 1],
hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2023 tot en met 24 mei 2023 te Maasvlakte Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 290 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
hij op of omstreeks 24 mei 2023 te Maasvlakte Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hutchison Ports ECT Delta, gelegen aan de Europaweg.
Vooraf: “De rechtbank heeft in dit geval gekozen voor een vorm van berechting waarin wordt gestreefd naar een snelle berechting en waarin bovendien de nadruk explicieter ligt op de met strafoplegging na te streven strafdoelen. Naast vergelding, waar maatschappelijk vaak het zwaartepunt ligt, wil de rechtbank ook de andere doelen van straf goed voor ogen houden: speciale preventie, generale preventie en resocialisatie. Deze vorm van berechting wordt aangeduid als de ‘Snelle Toekomstgerichte Meervoudige Kamerzitting’ (STMK). Een belangrijk thema van zo’n zitting is ‘naar de toekomst te kijken’. Hierbij past een zekere reflectie op het heden en het verleden. Daarbij heeft de verdachte nadrukkelijk ook een eigen rol. Als de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, inzicht kan geven in de oorzaken van zijn gedrag en kan reflecteren op zijn handelen, zet hij daarmee een eerste stap op de weg terug naar de maatschappij.”
de rechtbankgekozen– vorm heeft bijgedragen aan de uiteindelijke uitkomst (de ‘Passende straf’) blijft hierdoor grotendeels onbeantwoord. Juist waar mag worden verondersteld dat de rechtbank zelf die bijdrage van belang acht (anders had immers de overweging “
Vooraf”achterwege kunnen blijven), is het spijtig dat die expliciete verbinding ontbreekt. Als die verbinding er wel zou zijn geweest, dan zou de strafmotivering – als ‘redenering’ – mogelijk beter tot haar recht gekomen zijn. In de bewuste overweging is, met andere woorden, wel sprake van vooropgestelde uitgangspunten, maar hoe die uitgangspunten in het concrete geval zijn toegepast en gewogen blijft onduidelijk. Zeker nu de strafmotivering overigens een klassieke structuur heeft, is niet kenbaar waar de gekozen vorm voor zwaartepunten heeft gezorgd en evenmin waarom deze vorm door de rechtbank is gekozen.
op voorhandondergeschikt wenst te maken aan andere. Indien dat het geval zou zijn, acht het hof dit onwenselijk, gelet op het feit dat bij iedere zaak een integrale beoordeling als voornoemd dient plaats te vinden.
on the processwillekeurig aanwijzen van - naar het lijkt - geprivilegieerden, die aan de STMK mee mogen doen, hetgeen temeer geldt nu die selectie - op voorhand - door de rechtbank en niet door openbaar ministerie plaatsvindt en advocaten hun cliënten daarvoor kunnen aanmelden bij de rechtbank. Dit klemt temeer indien het zo zou zijn dat het gevolg van deelname aan het STMK-traject zou zijn dat - zoals gesteld door de advocaat-generaal - aan verdachten standaard lagere straffen zouden worden opgelegd dan aan verdachten die de rechtbank daarvoor niet selecteert en waarvoor de LOVS-oriëntatiepunten worden gehanteerd, die naar het zich laat aanzien doorgaans tot hogere straffen leiden.
Vooraf”. Dit betekent dus niet dat die overweging geen behartigenswaardige elementen bevat, maar wel dat die overweging, althans wat het hof betreft, onvoldoende in verband kan worden gebracht met de rest van de strafmotivering.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.