Deze zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de weigering van de rechtbank Den Haag om zijn verzoek tot teruggeleiding van zijn kinderen naar Turkije toe te wijzen op grond van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag. De kinderen verbleven in Nederland zonder toestemming van de vader, die gezamenlijk gezag uitoefent met de moeder.
Het hof stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan hun overbrenging naar Nederland in Turkije lag, omdat zij daar sinds 2019 woonden, naar school gingen en sociale banden hadden. De moeder voerde aan dat er sprake was van twee gewone verblijfplaatsen, maar dit werd door het hof verworpen.
De moeder beriep zich op weigeringsgronden zoals berusting, ondragelijke toestand en verzet van het kind. Het hof oordeelde dat de vader niet had berust in de vasthouding, dat de bezwaren van de moeder onvoldoende waren onderbouwd en dat het kind niet de rijpheid had om zijn mening te laten meewegen. Daarom werd de teruggeleiding gelast.
De terugkeer moet plaatsvinden naar de woonplaats van de vader in Turkije. De moeder moet de kinderen uiterlijk op 21 mei 2024 terugbrengen, anders moeten zij met geldige reisdocumenten aan de vader worden overgedragen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.