Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [minderjarige 2] , en
3. [minderjarige 2] ,
4.[geïntimeerde 2] ,
5.[geïntimeerde 3] ,
6.[geïntimeerde 4] ,
7.[geïntimeerde 5] ,
,
8.[geïntimeerde 6] ,
afkomelingenonderling of tussen dezen en hun langstlevende echtgenoot konden verdelen. De term afkomelingen in deze bepaling heeft niet uitsluitend betrekking op kinderen van een erflater. Het hof ziet echter in de tekst van artikel IV wel een andere aanwijzing en wel dat bij de benoeming tot erfgenaam alleen de kinderen zijn bedoeld: onder A. 2. en B. van dit artikel wordt immers gesproken over de aan de
overige erfgenamentoekomende erfdelen
volgens de wet. Ten tijde van het maken van het testament door erflaatster werden door de wet aangewezen als erfgenamen, in de situatie van haar vooroverlijden, haar echtgenoot en haar twee kinderen. De term “overige erfgenamen” ziet in het licht van deze bepaling op haar twee kinderen. Uit de tekst van A.2 vloeit voort dat erflaatster haar twee kinderen en de afstammelingen van haar echtgenoot ieder een gelijk deel van het saldo van haar nalatenschap toekent. Zij sluit bij de berekening hiervan haar echtgenoot uit. In dit kader kan met afstammelingen niet een ander zijn bedoeld dan haar stiefzoon, [appellant 1] . Voor de stelling dat de ten tijde van het maken van het testament nog niet geboren zijnde dochter van [appellant 1] ook een legaat zou toekomen, biedt het testament geen aanknopingspunt. Bovendien komt op grond van de wet in de eerste plaats aan de kinderen een erfdeel toe, de (achter)kleinkinderen komen pas door plaatsvervulling in beeld indien een kind is voor overleden.
ofde verdere nakomelingen”.