Partijen zijn ouders van een minderjarige en hebben een omgangsregeling waarbij videobellen is vastgesteld. De vader vordert in kort geding dat aan deze omgangsregeling dwangmiddelen worden verbonden vanwege het uitblijven van contact. De rechtbank wees deze vordering af en het hof bekrachtigt dit vonnis.
Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het videobelcontact verwarring en frustratie bij het kind veroorzaakt. Ook is er onenigheid tussen partijen over de praktische uitvoering, zoals duur, tijdstip en taalbarrière. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen of de regeling wordt nageleefd en of een dwangsom terecht is.
Het hof benadrukt dat het niet gaat om een nieuwe beoordeling van de omgangsregeling zelf, maar om de vraag of dwangmiddelen aan de reeds vastgestelde regeling moeten worden verbonden. Gezien het belang van het kind en de praktische omstandigheden is het niet passend dwangsommen op te leggen. De proceskosten in hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd.