ECLI:NL:GHDHA:2024:761
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde eengezinswoning met dakopbouw en afwijzing immateriële schadevergoeding
Belanghebbende betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn eengezinswoning met dakopbouw per 1 januari 2019, vastgesteld op €269.000. De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatierapport en een matrix van vergelijkingsobjecten in dezelfde straat, waarbij rekening werd gehouden met bouwjaar, inhoud, oppervlakte en voorzieningen zoals de dakopbouw. Het Hof oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de methode en vuistregels voor de waardering van de dakopbouw begrijpelijk en juist waren.
Belanghebbende vorderde tevens een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De Rechtbank had de vertraging toegerekend aan de handelwijze van de gemachtigde van belanghebbende, die laat een machtiging overlegde en beperkt beschikbaar was voor zittingen. Het Hof volgde dit oordeel en wees de schadevergoeding af.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt bevestigd en de vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.