Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 april 2024
[X] , te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Regionale Belastinggroep, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Geen aansluiting
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende kreeg voor 2021 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing opgelegd van €3.917,65, gebaseerd op 41,90 vervuilingseenheden. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd met 40% tot €2.337,50 vanwege sluiting van het horecapand door coronamaatregelen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de aanslag te hoog was en dat hem een proceskostenvergoeding toekwam. Het hof oordeelde dat de rechtbank op goede gronden de voorlopige aanslag niet verder heeft verlaagd. Belanghebbende bracht geen nieuwe feiten of argumenten aan die tot een ander oordeel konden leiden.
Het hof bevestigde dat de heffingsambtenaar niet onrechtmatig handelde bij het opleggen van de voorlopige aanslag, aangezien deze was gebaseerd op de meest recente definitieve aanslag en er geen gegevens over 2021 beschikbaar waren. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen sprake was van een aan de overheid toe te rekenen onrechtmatigheid.
De redelijke termijn voor behandeling was niet overschreden en een vergoeding voor immateriële schade werd daarom afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.