Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:359

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
200.330.573/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1065 lid 1 RvArt. 1066 RvArt. 6:232 BWArt. 6:233 BWArt. 6:236n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging arbitraal vonnis wegens geringe kans vernietiging

In deze zaak verzocht appellant het gerechtshof Den Haag om schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis totdat op zijn vernietigingsvordering zou zijn beslist. Het arbitrale vonnis veroordeelde appellant tot betaling van een schadevergoeding aan Transport Partners B.V. (TP) wegens schade door het niet tijdig lossen van voertuigen in Spanje.

Appellant stelde dat het arbitrale vonnis vernietigd moest worden omdat er geen geldige arbitrageovereenkomst zou zijn, aangezien hij niet als consument zou zijn gebonden aan het arbitragebeding in de algemene voorwaarden van TP. Het hof oordeelde echter dat appellant handelend als ondernemer was, gezien het beroepsmatige gebruik van de vervoerde voertuigen en de omstandigheden rondom de overeenkomst.

Het hof concludeerde dat de kans op slagen van de vernietigingsvordering gering was en dat het belang van TP bij executie van het vonnis zwaarder woog dan het belang van appellant bij schorsing. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis is afgewezen vanwege geringe kans van slagen van de vernietigingsvordering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.330.573/01
Beschikking van 15 maart 2024
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. B.C.A. Reijnders, kantoorhoudend in Venlo,
tegen
Transport Partners B.V.,
gevestigd in Steenbergen,
verweerster,
advocaat: mr. M. Wattel, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna [appellant] en TP noemen.

1.De zaak in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak om een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, in afwachting van de uitkomst van een door [appellant] aanhangig gemaakte vordering tot vernietiging van dit vonnis.

2.Procesverloop

2.1
Op 28 juli 2023 is bij de griffie van het hof een exploot uitgebracht namens [appellant] ingekomen mede strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis van 24 april 2023 op de voet van artikel 1066 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
2.2
Bij brief van 10 augustus 2023 aan de advocaat van TP heeft de griffie van het hof de ontvangst van het exploot bevestigd en met betrekking tot het verzoek tot schorsing een termijn voor verweer gegeven en verhinderdata opgevraagd ten behoeve van het plannen van een mondelinge behandeling van het verzoek. De advocaat van [appellant] heeft een afschrift van deze brief ontvangen.
2.3
Op 4 september 2023 heeft de griffie van het hof een verweerschrift ontvangen.
2.4
Bij e-mailbericht van 8 november 2023 heeft het hof aan partijen laten weten dat het hof (i) uit de berichten van partijen afleidt dat zij geen behoefte hebben aan het geven van een mondelinge toelichting, (ii) op verzoek van partijen zal afzien van het plannen van een mondelinge behandeling en (iii) de zaak op 14 november 2023 zal verwijzen naar 12 december 2023 voor het geven van een schriftelijke toelichting.
2.5
Partijen hebben op 12 december 2023 hun schriftelijke toelichtingen ingediend.
2.6
Uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

3.Feiten en verzoek

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
i) [appellant] verkocht tot 2019 ijsjes in de Verenigde Staten en is in december 2021 verhuisd van de Verenigde Staten naar Spanje.
ii) In dat verband heeft [appellant] drie voertuigen, een Dodge Promaster ijscowagen, een oldtimer ice cream truck Chevrolet met een trailer met daarin een ingebouwde generator en een Jeep (hierna: de voertuigen), van de Verenigde Staten naar Spanje laten vervoeren.
iii) De container is per zee vervoerd van Charleston, Verenigde Staten, naar Zeebrugge, België. TP is daarbij als ontvangstexpediteur voor [appellant] opgetreden. [appellant] heeft in het verleden vaker TP als expediteur ingeschakeld.
iv) TP zou de voertuigen op basis van een T1-document vervoeren van het douanekantoor in Zeebrugge naar het douanekantoor in Malaga, Spanje. [appellant] zou deze zelf (laten) inklaren in Spanje en ook zorg dragen voor het (tijdig) aanzuiveren van het T1-document.
v) De voertuigen zijn op 21 februari 2022 in Malaga gearriveerd. Het bleek aldaar niet mogelijk de voertuigen te lossen, vanwege het niet (tijdig) aanzuiveren van het T1-document.
vi) TP heeft de voertuigen om die reden opgeslagen in Spanje en later, toen zij van de Spaanse douane vernam dat deze de voertuigen wilde (laten) vernietigen, deze vervoerd naar en opgeslagen in een loods in Rotterdam.
vii) TP is op 7 maart 2022 een arbitrageprocedure begonnen ter vaststelling van de door TP geleden schade als gevolg van het feit dat de voertuigen niet in Spanje konden worden gelost.
viii) Bij arbitraal vonnis van 24 april 2023 is de vordering van TP grotendeels toegewezen en is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 50.518,56, vermeerderd met wettelijke rente en kosten (hierna: het arbitrale vonnis).
ix) [appellant] heeft in kort geding, in conventie, vrijgave van de voertuigen en overige goederen gevorderd en TP, in reconventie, machtiging tot verkoop van de voertuigen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 11 oktober 2022 de vorderingen van [appellant] afgewezen en die van TP toegewezen. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest in kort geding van 20 juni 2023 dat vonnis bekrachtigd.
x) De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 juli 2023 op verzoek van TP verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.
xi) Bij exploot van 28 juli 2023 heeft [appellant] TP gedagvaard om op 8 augustus 2023 voor het gerechtshof Den Haag te verschijnen. De vordering van [appellant] strekt mede tot vernietiging van het arbitrale vonnis.
3.2
[appellant] verzoekt het hof de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis te schorsen ex artikel 1066 Rv Pro totdat op de vernietigingsvordering is beslist.
3.3
TP concludeert tot afwijzing van het verzoek.

4.Beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 1066 lid 2 Rv Pro kan de rechter die over de vernietiging oordeelt, indien daartoe gronden zijn, de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis schorsen totdat over de vordering tot vernietiging ervan onherroepelijk is beslist. De rechter moet zich dan een voorlopig oordeel vormen over de kans van slagen van de vordering tot vernietiging en daarnaast de belangen van partijen bij toe- dan wel afwijzing van het schorsingsverzoek afwegen. Bij de vorming van het voorlopig oordeel zal de rechter ervan moeten uitgaan dat de vordering tot vernietiging alleen kan slagen als zich een vernietigingsgrond bedoeld in artikel 1065 Rv Pro voordoet.
4.2
[appellant] legt aan zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis ten grondslag dat het arbitrale vonnis zal moeten worden vernietigd omdat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, waardoor het scheidsgerecht niet bevoegd was om van de vordering van TP kennis te nemen (artikel 1065 lid Pro 1, onder a, Rv). [appellant] voert daartoe aan dat hij niet is gebonden aan de arbitrageclausule in de algemene voorwaarden van TP. Volgens [appellant] zijn de algemene voorwaarden van TP hem nooit ter hand gesteld (artikel 6:233 BW Pro) en wordt enkel op een aantal eerdere facturen van TP naar deze voorwaarden verwezen (artikel 6:232 BW Pro). Verder voert [appellant] aan dat het arbitraal beding niet geldt, omdat het onredelijk bezwarend is (artikel 6:236n BW); [appellant] is een consument nu de overeenkomst tot vervoer van de ijscowagens geen verband houdt met zijn beroepsactiviteit (het verkopen van ijsjes).
4.3
TP betoogt dat [appellant] geen consument is. [appellant] verkoopt ijsjes en had het plan om zijn onderneming in Spanje voort te zetten; daarom wilde hij de ijscowagens laten vervoeren van de Verenigde Staten naar Spanje. De overeenkomst met TP hield dus verband met de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Verder zijn de wettelijke bepalingen die voorschrijven dat de algemene voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst van toepassing moeten worden verklaard en ter hand moeten worden gesteld niet van toepassing krachtens artikel 6:247 BW Pro.
Slagingskans van de vernietigingsvordering
4.4
[appellant] heeft zijn stelling, dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt omdat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van TP niet zou zijn overeengekomen, onvoldoende feitelijk toegelicht en onderbouwd in het licht van de gemotiveerde verwerping van dat standpunt in het arbitrale vonnis (waarnaar TP in haar verweerschrift verwijst). Bij gebrek aan zodanige toelichting acht het hof de kans dat het arbitrale vonnis op deze grond zal worden vernietigd voorshands gering.
4.5
Bij de beoordeling van de slagingskans van de vernietigingsvordering staat verder centraal de vraag of [appellant] ter zake van de door hem gesloten overeenkomst kan worden aangemerkt als ‘consument’. Wanneer dat niet het geval is, is de afdeling algemene voorwaarden waarop [appellant] zich in het kader van de vernietigingsvordering beroept (afdeling 6.5.3 BW), niet van toepassing. Dit volgt uit artikel 6:247 lid 2 BW Pro dat bepaalt dat de afdeling niet van toepassing is op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd zijn. Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen) geldt dan ook niet, omdat de toepassing daarvan is beperkt tot consumenten (artikel 1 lid 1 in Pro verbinding met artikel 2, aanhef en onder b), dat wil zeggen iedere natuurlijke persoon die bij onder de Richtlijn oneerlijke bedingen vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.
4.6
Bij de beantwoording van de vraag of [appellant] als consument moet worden aangemerkt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de zaak, met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel het goed is gekocht of de dienst is ontvangen (HvJ EU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538).
4.7
[appellant] stelt ter zake van de overeenkomst met TP als consument te hebben gehandeld en voert daartoe het volgende aan. De beroepsactiviteit van [appellant] in de Verenigde Staten was het verkopen van ijsjes, maar [appellant] voerde die activiteit lange tijd voor het sluiten van de overeenkomst met TP al niet meer uit omdat hij zijn onderneming op 19 september 2019 heeft verkocht. Tijdens of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met TP oefende [appellant] dus geen beroep uit dat verband hield met het geven van de opdracht tot vervoer. Dat het onderwerp van de overeenkomst ziet op auto’s die bestemd zijn voor ijsverkoop is dan niet relevant.
4.8
Het hof is voorlopig van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [appellant] ter zake van de overeenkomst met TP buiten beroep of bedrijf heeft gehandeld. Daartoe geldt het volgende. [appellant] heeft in de Verenigde Staten professioneel ijsjes verkocht waarbij hij gebruik heeft gemaakt van in ieder geval twee van de voertuigen die hij in Spanje heeft willen invoeren. Het betreft, naar het hof begrijpt, één wagen met aan de zijkanten luiken voor de verkoop en één met ijsjes beplakte bedrijfsbus, beide met een grote ijshoorn uitstekend vanuit het dak, en een aanhanger met aggregaat. De overeenkomst met TP tot vervoer van de voertuigen van Zeebrugge naar Malaga zag dus in ieder geval op het vervoer van bedrijfsmiddelen. Dat [appellant] zijn onderneming in de Verenigde Staten zou hebben verkocht en al enige tijd zijn beroepsactiviteit niet meer uitoefende, doet niet ter zake. Twee van de drie vervoerde voertuigen kunnen naar [appellant] ook zelf stelt, niet anders worden gebruikt dan voor het verkopen van ijsjes en zijn in die zin dus bedrijfsmiddelen die niet zijn begrepen in de verkoop van zijn onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat het beroepsmatige gebruik zo marginaal is dat het in het niet valt bij de globale context van de overeenkomst tot vervoer. Dat tot de te vervoeren voertuigen ook een voertuig behoorde dat [appellant] naar eigen zeggen slechts in privé gebruikte, doet er dus niet aan af dat [appellant] de overeenkomst met TP is aangegaan handelend als ondernemer. Bovendien heeft [appellant] zijn stelling dat de Jeep enkel in privé werd gebruikt niet nader onderbouwd, terwijl het, gezien het verweer van TP dat alle voertuigen voor professioneel gebruik zijn, wel op zijn weg lag dat te doen. Ten slotte heeft [appellant] over de overeenkomst per e-mail gecorrespondeerd met TP vanaf [emailadres 1] en [emailadres 2] en heeft hij in contact met TP ook het briefpapier van Belgian Gelato en Cream Valley gebruikt. Ook dit duidt erop dat [appellant] de overeenkomst met TP is aangegaan als ondernemer en niet als consument. Bij het voorgaande komt nog dat [appellant] zelf in het kort geding voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aangevoerd dat hij had besloten de twee ijswagens mee te verhuizen zodat hij de mogelijkheid had om weer inkomen te kunnen genereren in Spanje.
4.9
Het voorgaande betekent dat voorshands ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] de overeenkomst met TP is aangegaan handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Nu het hof voorlopig van oordeel is dat [appellant] niet als consument moet worden aangemerkt, gaat geen van zijn stellingen op en is aannemelijk dat in de vernietigingsprocedure zal worden geoordeeld dat TP een beroep toekomt op het arbitragebeding in de algemene voorwaarden.
4.1
[appellant] doet in zijn schriftelijke toelichting voor het eerst een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). Dit beroep van [appellant] is te laat in de procedure naar voren gebracht (artikel 1064a lid 4 Rv) en overigens in het geheel niet toegelicht en zal worden gepasseerd.
4.11
De conclusie is dan ook dat het hof de kans van slagen van de vernietigingsvordering op grond van artikel 1065 lid Pro 1, onder a, Rv, op basis van dat wat is aangevoerd in het dagvaardingsexploot, klein acht.
4.12
Het door [appellant] gestelde belang bij schorsing van de executie om te voorkomen dat hij na executoriale verkoop niet meer in staat is de voertuigen te revindiceren, weegt naar het oordeel van het hof, mede gelet op hetgeen hiervoor over de slagingskans van de vernietigingsprocedure is overwogen, niet op tegen het belang van TP tot executie van het arbitrale vonnis.

5.Slotsom

5.1
De slotsom is dat het verzoek tot schorsing van het arbitrale vonnis zal worden afgewezen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Daarbij geldt dat griffierecht niet is verschuldigd, overeenkomstig het bericht van de griffie van het hof van 10 augustus 2023. De kosten voor salaris advocaat worden begroot op € 2.428,- (2,0 punten × tarief II).

6.Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek van [appellant] af;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, aan de zijde van TP begroot op € 2.428,-.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, B.J. Lenselink en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2024 in aanwezigheid van de griffier.