Uitspraak
“Artikel 1 PARTNERALIMENTATIE Pro
Artikel 8 GESCHILLEN Pro
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, voormalig gehuwd en zonder fiscaal partner in 2020, had in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag van €30.095 aan onderhoudsverplichtingen opgevoerd, gebaseerd op betalingen aan zijn ex-partner die verder gingen dan het echtscheidingsconvenant. De Inspecteur corrigeerde dit bedrag tot €3.600, conform het convenant, en handhaafde dit bij bezwaar. De Rechtbank oordeelde dat de aanvullende betalingen niet als onderhoudsverplichtingen konden worden aangemerkt omdat zij niet rechtstreeks voortvloeiden uit het familierecht en niet juridisch afdwingbaar waren.
In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof deze beoordeling. Het Hof stelt dat alleen periodieke uitkeringen die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien en juridisch afdwingbaar zijn, aftrekbaar zijn. De aanvullende betalingen berusten op mondelinge afspraken en morele verplichtingen die niet voldoen aan deze criteria. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de tekst op de Belastingdienstwebsite niet impliceert dat niet-juridisch afdwingbare betalingen aftrekbaar zijn.
Het Hof vermindert de aanslag dienovereenkomstig, veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van de fiscale regels omtrent onderhoudsverplichtingen en de bewijslast die rust op de belastingplichtige.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de belastingaanslag wordt verminderd tot het bedrag op basis van het echtscheidingsconvenant.