Belanghebbende, eigenaar van een etageflat uit 1972, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting. Hij vorderde inzage in alle gegevens die ten grondslag lagen aan de waardebepaling, waaronder correctiepercentages en indexeringen. De heffingsambtenaar verstrekte gegevens tijdens de bezwaarprocedure en bood inzage in het systeem waarmee de indexering werd berekend, maar verstrekte niet alle door belanghebbende gevraagde cijfermatige onderbouwingen.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verstrekte informatie voldoende was en dat waarderen geen exacte wetenschap is. Belanghebbende stelde dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden en dat hij recht had op aanvullende gegevens, wat het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep heeft beoordeeld.
Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank en stelde dat de toezendverplichting zich beperkt tot gegevens die ten grondslag liggen aan de waarde, niet tot de rekenkundige gevolgen van toegepaste factoren. Het Hof wees erop dat belanghebbende de geboden gelegenheid tot nadere toelichting niet heeft benut en dat de verstrekte informatie voldoende inzicht bood. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.