Deze zaak betreft het verzoek van de vader om zijn kinderen terug te leiden van Nederland naar Polen, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden. De moeder had de kinderen zonder toestemming naar Nederland gebracht. De rechtbank Den Haag weigerde de teruggeleiding op grond van het verzet van de kinderen, waarop de vader in hoger beroep ging.
Het hof bevestigt dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Polen hadden en dat de moeder hen zonder toestemming heeft overgebracht, wat een ongeoorloofde overbrenging is volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het hof beoordeelt de leeftijd en rijpheid van de kinderen (14 en 12 jaar) en concludeert dat zij voldoende rijp zijn om hun mening te laten meewegen. Beide kinderen verzetten zich consequent en authentiek tegen terugkeer naar Polen.
Het verzet is gebaseerd op negatieve ervaringen met de vader en Polen, waaronder mishandeling en gebrek aan sociale contacten. Hoewel de vader invloed en loyaliteitsproblematiek aanvoert, acht het hof het verzet oprecht. Het hof wijst ook op het belang van hulpverlening en het belang van het kind, en benadrukt dat de strijd tussen ouders schadelijk is voor de kinderen.
Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank. Er worden geen proceskosten aan de moeder opgelegd. Het hof draagt zorg voor het verstrekken van het certificaat bijlage I Brussel II-ter aan de Centrale Autoriteit.