Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : 10219424 VZ VERZ 22-14311
Gerechtshof Den Haag
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen een raadsheer die betrokken was bij haar hoger beroepsprocedure. Het verzoek betrof een opmerking van de raadsheer tijdens een zitting, waarbij zij een woordkeuze gebruikte die verzoekster als partijdig ervoer.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en stelde vast dat het verzoek te laat was ingediend, ruim twaalf dagen na de zitting waarin de feiten bekend werden. Dit leidde tot niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek.
Daarnaast overwoog de kamer inhoudelijk dat de woordkeuze van de raadsheer weliswaar ongelukkig was, maar niet voldeed aan de hoge norm voor het aantonen van vooringenomenheid. De raadsheer had zich bovendien direct verontschuldigd, wat de indruk van partijdigheid wegneemt.
De wrakingskamer besloot daarom het verzoek af te wijzen en verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk. Een afschrift van de beslissing werd toegezonden aan alle betrokken partijen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en inhoudelijk afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.