Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:1622

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
18 september 2024
Zaaknummer
200.341.550/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank wegens onvoldoende samenwerking

Appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van €28.113,26. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen, mede door slechte samenwerking met schuldhulpverlening en het ontbreken van sollicitatie-inspanningen.

In hoger beroep heeft appellant zijn situatie toegelicht en nieuwe sollicitaties overgelegd. Hij verklaarde bereid te zijn zich aan de verplichtingen te houden en een nieuw arbeidsongeschiktheidsonderzoek bij het UWV aan te vragen. Tevens toonde hij zich nu bereid om onder beschermingsbewind te gaan.

Het hof oordeelt dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich zal inspannen om aan de verplichtingen te voldoen. Ook wordt de hardheidsclausule toegepast vanwege de omstandigheden waaronder de schulden zijn ontstaan. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe, met verwijzing naar de rechtbank voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.341.550/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/674366 / FT EA 24/256

Arrest van 2 juli 2024

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. T. Estirado Fontalba te Rotterdam.

De procedure

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 15 mei 2024, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2024, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2024. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van M.J.M. Moure (tolk Frans). [appellant] heeft ter zitting nog een brief overgelegd van 15 mei 2024 van het UWV aan hem. Deze is aan het procesdossier toegevoegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 23 februari 2024 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 28.113,26.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw). Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Het minnelijk traject is niet naar behoren verlopen. Vanwege de opstelling van [appellant], mede veroorzaakt door zijn psychische klachten, bestond geen goede samenwerking tussen hem en de schuldhulpverlening. [appellant] heeft ter zitting verklaard dat hij ieder vertrouwen in de schuldhulpverlening is verloren. Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank bericht dat de hulpverlening inmiddels is beëindigd wegens onjuiste bejegening door [appellant] van verschillende van haar medewerkers. Verder heeft [appellant], ondanks het verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek, geen sollicitaties overgelegd voor het verrichten van werk op basis van (afgerond) 40% van de vereiste arbeidsduur van 36 uur per week, zijnde het gedeelte waarover hij niet arbeidsongeschikt is verklaard. Ter zitting is verder gebleken dat [appellant] niet bereid is om zichzelf onder beschermingsbewind te laten plaatsen zodat hij hulp krijgt met het voldoen aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.
3. De grieven van [appellant] hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.
4. Het hof is van oordeel dat uit de stukken en de toelichting ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zich zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen. [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij graag wil werken, ondanks zijn verwachting dat hij gezien zijn gezondheidsproblemen volledig wordt afgekeurd. [appellant] heeft een nieuw arbeidsongeschiktheidsonderzoek aangevraagd bij het UWV, maar dat onderzoek heeft nog niet kunnen plaatsvinden en het UWV heeft aangekondigd dat het nog enige tijd kan duren voordat dit onderzoek plaats zal kunnen vinden. [appellant] heeft om die reden hangende het geding in hoger beroep sollicitaties verricht en kopiëen van die sollicitaties aan het hof overgelegd. [appellant] heeft verder verklaard dat hij, anders dan ten tijde van de zitting bij de rechtbank waar hij zonder bijstand van een advocaat en tolk was verschenen, op de hoogte is van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en daaraan uitvoering zal geven, meer in het bijzonder aan de verplichting om zijn sollicitaties te continueren en om zich, zolang daar niet anders op is beslist, voor het deel dat hij arbeidsgeschikt is, beschikbaar te stellen voor werk.
5. Voor zover de (geringe) schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan, wordt het beroep op de hardheidsclausule gehonoreerd. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de schulden ruim voor de driejaarstermijn zijn ontstaan als gevolg van echtscheidingen die al geruime tijd zijn afgewikkeld en dat [appellant] al zeer lange tijd niet tot nauwelijks nieuwe schulden heeft gemaakt, zodat voldoende aannemelijk is dat [appellant] de situatie waaronder de schulden zijn ontstaan onder controle heeft gekregen. Daarbij is met [appellant] op zitting besproken dat de bewindvoerder tot taak heeft om de juiste uitvoering van de schuldsanering te bewaken en dat hij voor hulp en bijstand zich tot anderen dient te wenden. In dat verband heeft [appellant] verklaard dat hij niet langer afwijzend staat tegenover een beschermingsbewind en bereid is dit ter ondersteuning van zijn schuldsaneringstraject aan te vragen.
6. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2024;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, C.J. Verduyn en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2024 in aanwezigheid van de griffier.