De vrouw vorderde in hoger beroep dat het hof het Iraanse verstekvonnis erkent waarin de man is veroordeeld tot betaling van een bruidsgave van 514 gouden munten, of het equivalent daarvan, en dat de man wordt veroordeeld tot overdracht hiervan. Tevens wilde zij dat de man werd veroordeeld tot medewerking aan een Iraanse religieuze echtscheiding zonder haar afstand te laten doen van de bruidsgave.
De rechtbank Rotterdam wees de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg af, behalve een vonnis waarin de man werd veroordeeld tot medewerking aan de religieuze echtscheiding onder de voorwaarde dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave. Tegen dit vonnis stelde de vrouw geen hoger beroep in.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zonder medewerking van de man naar Iraans recht kan scheiden, noch dat de voorwaarden in de huwelijksakte in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde. Het hof bevestigde dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam, dat bindend is, bepaalt dat de vrouw afstand moet doen van de bruidsgave bij de religieuze echtscheiding.
Verder concludeerde het hof dat de vrouw niet heeft bewezen dat zij de man rechtsgeldig en tijdig heeft betekend in de Iraanse procedure, waardoor het Iraanse verstekvonnis niet in Nederland kan worden erkend. Het hoger beroep van de vrouw faalt en de bestreden vonnissen worden bekrachtigd. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.