Uitspraak
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 1 oktober 2019 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, één of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (in zijn/hun hoedanigheid van raadslid en/of wethouder van de gemeente Den Haag), één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en), te weten - zakelijk weergegeven -:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2018 tot en met 4 juli 2018, te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
1.Inleiding
2.Feit 2: omkoping
met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening iets te doen of na te laten” (artikel 177 lid 1 sub Pro 1 Sr) en met “
ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten” (artikel 177 lid 1 sub Pro 2 Sr).
Omvang en de frequentie van de giften
Nee, 100% nee.”), maar omdat hij gewoon geloofde in [medeverdachte 1] en de Partij. Illustratief is hetgeen de verdachte schreef een half jaar na de verkiezingen aan [medeverdachte 1]:
“jullie hoeven NOOIT iets voor mij te doen omwille van onze vriendschap wat krom is en recht moet worden. Ik ga altijd uit van mijn eigen kracht (…)”
“leuke dingen doen waar je geen poen aan verdient”.
“Gebruik maken van zijn positie zolang het kan”die de verdachte in juni 2019 uitte, overweegt het hof als volgt. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat de verdachte wilde investeren in hotels en daar [medeverdachte 1] voor nodig had, waarop [medeverdachte 1] in het telefoongesprek met de verdachte van 21 juni 2019 heeft gezegd:
“ik ga dat effe d’r doorheen drukken”. Het hof volgt het Openbaar Ministerie niet in de conclusie dat dit betekent dat de verdachte een voorkeurspositie of ‘speciale’ relatie had. In het telefoongesprek van 21 juni 2019 vertelt [medeverdachte 1] namelijk ook dat toen hij het met wethouder [wethouder 1] besprak, [wethouder 1] zei
“als het gewoon kan (...) dan gaan we het gewoon doen”. De verdachte vindt het zelf goed om het plan bij de ambtenaren in te dienen (dus niet bij [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2]). [medeverdachte 1] zegt dat het daar al ligt, maar nog uitgewerkt moet worden. De uitdrukking
“ik ga dat effe d’r doorheen drukken”kan op die uitwerking zien.
Overigens staat voor het hof ook niet vast dat het de verdachte was die wilde investeren in hotels. Het hof acht het op grond van het strafdossier mogelijk dat het [medeverdachte 1] was die uit partijpolitieke ideologie (meer) hotels in de stad wilde en daartoe (onder andere) de verdachte nodig had.
Hieruit kan dus geen ‘speciale relatie’ of voorkeursbehandeling worden afgeleid. Bovendien blijkt niet van een verband met de anderhalf jaar eerder gedane betalingen.
Dat wordt wel een moeilijk verhaal voor mij om jou enerzijds te steunen maar mij anderzijds ons (maar wij splitsen bijna niet, is niet onze handel) vooral [voornaam medeverdachte 4] zijn business in de weg gaat zitten met dit voorstel.” Dit schrijft de verdachte in de context van het doorlezen van het programma van de Partij, nadat hij de avond tevoren met ‘wat belangrijke figuren uit de Haagse bouwwereld’ had gegeten waarbij over het splitsen van woningen was gezegd dat de [politieke partij] het niet snapt, maar [medeverdachte 1] wel. De verdachte schrijft in de e-mail: “
Ik begrijp dat je moet doen wat je moet doen, maar (…) dat als dit uitkomt een hoop mensen in mijn omgeving af zullen haken”. In die context kan het “steunen” door de verdachte goed zien op het aanhangen van de Partij in plaats van op de financiële donaties.
3.Feit 3: Schending ambtsgeheim
Zie onder. Zeer vertrouwelijk. Heb jij tijd morgen te scannen als [medeverdachte 1] contract doorstuurt ?”
face to facezou hebben besproken, zijn zelfs al zou de face to face bespreking hebben plaatsgevonden - onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.