ECLI:NL:GHDHA:2023:805
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vorderingen beneficiair erfgenaam tegen mede-vereffenaar zonder toestemming kantonrechter
Twee zussen zijn beide beneficiair erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van hun moeder. Appellante vordert betaling van een bedrag van geïntimeerde aan de nalatenschap, maar zonder toestemming van de kantonrechter om namens de gemeenschap tegen een mede-vereffenaar te procederen.
Het hof overweegt dat tijdens de vereffeningsfase artikel 4:198 BW Pro geldt, dat vereist dat een vereffenaar toestemming van de kantonrechter nodig heeft om vorderingen tegen een mede-vereffenaar in te stellen. Ook na vereffening is een dergelijke toestemming vereist op grond van een beheersregeling volgens artikel 3:168 lid 2 jo Pro 3:171 BW.
De rechtbank had in eerste aanleg de ontvankelijkheid niet ambtshalve beoordeeld en veroordeelde geïntimeerde tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. In hoger beroep heeft geïntimeerde wel een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid, hetgeen het hof volgt.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis en verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar vorderingen. De proceskosten worden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten. Het hof ziet geen belang bij verdere behandeling van de vorderingen nu er nog geschillen bestaan tussen partijen.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het ontbreken van toestemming van de kantonrechter.