Belanghebbende, een onderneming die bemiddelt bij telecomcontracten en mobiele telefoons verkoopt, had omzetbelasting teruggevraagd over diverse kwartalen in 2017 en 2018. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op, omdat het toestelkrediet onterecht als vrijgestelde omzet was aangegeven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Inspecteur tot proceskostenvergoeding.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag onjuist was berekend omdat de omzet inclusief omzetbelasting moest worden beschouwd. De Inspecteur sloot zich hierbij aan en stelde een vermindering van €20.597 voor. Het Hof nam dit standpunt over en oordeelde dat de naheffingsaanslag en de belastingrente dienovereenkomstig moesten worden verminderd.
Het Hof bevestigde de overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank, vernietigde het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en wees de proceskostenveroordeling in hoger beroep af. De uitspraak werd op 13 april 2023 in het openbaar uitgesproken.