Deze zaak betreft een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn kinderen vanuit Nederland naar Indonesië. De rechtbank Den Haag wees dit verzoek af en het hof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.
De kern van het geschil betreft de vraag of de kinderen ongeoorloofd worden achtergehouden in Nederland en wat hun gewone verblijfplaats is. Het hof stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen vóór 31 augustus 2022 naar Nederland is gewijzigd, mede door inschrijving in de Basisregistratie Personen en schoolgang. De vader had onvoldoende aangetoond dat het verblijf tijdelijk was.
Daarnaast is de vraag of de vader eenhoofdig gezag heeft over de kinderen. Het hof volgt de rechtbank in de conclusie dat het gezamenlijk gezag voortduurt en dat de vader niet eenhoofdig gezag heeft. Hierdoor is er geen sprake van ongeoorloofde achterhouding in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.