In de strafzaak tegen de verdachte heeft het gerechtshof Den Haag op 20 juni 2023 een beslissing genomen over een verzoek tot nader onderzoek, dat door de verdediging werd voorgesteld. De raadsheren wezen dit verzoek af en motiveerden hun beslissing. Hiertegen richtte de verdediging een wrakingsverzoek tot de raadsheren, stellende dat de motivering van de beslissing de schijn van partijdigheid wekte.
De wrakingskamer behandelde het verzoek op 5 juli 2023 en oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend. De raadsheren hadden in hun schriftelijke reactie aangegeven niet in de wraking te berusten en niet aanwezig te zullen zijn bij de zitting. De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk was wegens niet-onverwijld indienen, en subsidiair dat het verzoek afgewezen moest worden wegens gebrek aan vooringenomenheid.
De wrakingskamer overwoog dat een onwelgevallige beslissing en de motivering daarvan op zichzelf geen grond voor wraking vormen, tenzij de motivering naar objectieve maatstaven niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid. Dit was in deze zaak niet het geval. De motivering was voldoende en het alternatieve scenario van de verdediging was onvoldoende concreet onderbouwd. Er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigden.
Daarom wees het hof het wrakingsverzoek af en bepaalde dat een afschrift van de beslissing aan alle betrokken partijen wordt toegezonden.