Verzoekster, met de Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Groot-Brittannië, verzocht om wijziging van haar geboortedatum op haar Nederlandse geboorteakte van een datum in 1987 naar een andere datum in hetzelfde jaar. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege onvoldoende bewijs van onjuistheid van de vastgestelde geboortedatum. Verzoekster bracht in hoger beroep aanvullende documenten en argumenten in, waaronder verklaringen en diploma's uit Groot-Brittannië, en beriep zich op internationale verdragen die het recht op identiteit en privéleven beschermen.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof concludeerde dat de aangeleverde Britse documenten niet overtuigend zijn omdat zij gebaseerd zijn op door verzoekster zelf opgegeven gegevens, en dat de verklaring van haar moeder onvoldoende betrouwbaar is. Tevens is niet gebleken dat verzoekster in het dagelijks leven zodanige hinder ondervindt dat dit een wijziging rechtvaardigt.
Het hof stelde dat het belang van verzoekster niet zwaarder weegt dan het openbaar belang en dat de discrepantie tussen Nederlandse en Britse documenten kan worden verklaard met de huidige akte en paspoort. Het beroep op het IVRK en EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Daarom werd de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot wijziging van de geboortedatum afgewezen.