ECLI:NL:GHDHA:2023:258
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens termijnoverschrijding in vaderschapszaak
In deze civiele zaak ging het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin de ontkenning van het vaderschap werd gegrond verklaard en medewerking aan DNA-onderzoek werd bevolen. Verzoeker stelde het hoger beroep in na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn van drie maanden.
Verzoeker voerde aan dat mogelijk sprake was van een apparaatsfout bij de griffie, omdat het beroepschrift op kantoor op tijd was opgesteld en verzonden, maar pas later bij het hof was geregistreerd. Hij verzocht daarom om ontvankelijkheid ondanks de termijnoverschrijding. Verweerder had geen bezwaar tegen de ontvankelijkheid, wenste echter wel spoedige afhandeling.
Het hof overwoog dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden nageleefd. Alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals fouten van de griffie die verzoeker redelijkerwijs niet kon weten, kan een uitzondering worden gemaakt. In deze zaak was geen sprake van een dergelijke uitzondering. De datum van ontvangst door de griffie werd als leidend beschouwd, en het bewijsaanbod van verzoeker was onvoldoende concreet.
Daarom verklaarde het hof verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters en griffier in het openbaar op 15 februari 2023.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.