ECLI:NL:GHDHA:2023:238
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep in kinderontvoeringszaak over gewone verblijfplaats minderjarige
Deze zaak betreft een hoger beroep in een kinderontvoeringszaak waarbij de moeder de teruggeleiding van de minderjarige vanuit Nederland naar België vordert op grond van het Haags kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank had de terugkeer gelast, maar het hof vernietigt deze beschikking en wijst het verzoek af.
De kern van het geschil is de vraag waar de gewone verblijfplaats van de minderjarige lag direct voorafgaand aan de vermeende ongeoorloofde achterhouding in Nederland. Het hof acht doorslaggevend de intentie van de ouders en de feitelijke uitvoering daarvan. Hoewel de minderjarige in België naar school ging, was dit volgens het hof het gevolg van praktische omstandigheden en niet bepalend voor de gewone verblijfplaats.
Het hof baseert zich op diverse feiten en omstandigheden, waaronder medische controles, verzekeringen, vieringen en het gezinsleven in Nederland, alsmede op correspondentie waaruit blijkt dat de ouders de gewone verblijfplaats in Nederland hadden vastgesteld. De rechtbank had onvoldoende gewicht toegekend aan deze feiten.
Het hof benadrukt het belang van een gezamenlijk neutraal verhaal van de ouders aan de minderjarige en het behoud van een onbelast contact met beide ouders. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking tot teruggeleiding en wijst het verzoek van de moeder af, waardoor de minderjarige niet terug hoeft naar België.