ECLI:NL:GHDHA:2023:2316
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- T.A. de Hek
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- R.M. Hermans
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in bezwaar en beroep
Belanghebbende is eigenaar van drie onroerende zaken waarvoor de waarde en aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2020 zijn vastgesteld. Tegen deze beschikkingen is bezwaar gemaakt dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees.
De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg ongeveer vier maanden. De Rechtbank oordeelde dat de bijzondere omstandigheden rondom de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde, die honderden zaken behartigt en vaak verhinderd was, een geldige reden vormden voor verlenging van de redelijke termijn. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
In hoger beroep heeft belanghebbende alleen het geschilpunt over de vergoeding van immateriële schade gehandhaafd. Het Gerechtshof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank dat de vertraging primair het gevolg is van het procesgedrag van de gemachtigde en dat dit een bijzondere omstandigheid is die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.
Daarom wordt het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.