Uitspraak
1.De zaak en de beschikking in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
€ 744,-.
6.De beslissing
€ 744,-, aan hem te voldoen;
Gerechtshof Den Haag
Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot teruggeleiding van zijn twee minderjarige kinderen vanuit Nederland naar Polen, op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980.
De moeder had de kinderen zonder toestemming van de vader meegenomen naar Nederland. Het hof stelt vast dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging zoals bedoeld in het Verdrag. Hoewel de kinderen zich verzetten tegen terugkeer en een loyaliteitsconflict vertonen, oordeelt het hof dat dit verzet niet authentiek is in de zin van artikel 13 lid 2 HKOV Pro. Ook de door de moeder aangevoerde weigeringsgrond wegens risico op lichamelijk of geestelijk gevaar (artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro) wordt verworpen, mede omdat er in Polen adequate beschermingsvoorzieningen zijn.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking en gelast de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Polen uiterlijk 27 februari 2023. De moeder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vader wegens verwijtbaar handelen. De bijzondere curator wordt ontslagen van haar taak per datum teruggeleiding.
Uitkomst: Het hof gelast de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Polen uiterlijk 27 februari 2023 en veroordeelt de moeder in de proceskosten.