De zaak betreft de vraag of de zoon de huurovereenkomst van zijn overleden moeder mag voortzetten. De moeder had een huurovereenkomst met Maasdelta en de zoon woonde sinds 2015 bij haar in. Na haar overlijden in 2019 stelde Maasdelta dat de zoon geen recht had op voortzetting van de huurovereenkomst omdat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding was.
De kantonrechter oordeelde dat er wel sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en gaf de zoon het recht op voortzetting van de huurovereenkomst. Maasdelta ging hiertegen in hoger beroep. Het hof onderzocht of de zoon en moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, waarbij werd gekeken naar onder andere gezamenlijke kosten, huishoudelijke taken en financiële verwevenheid.
Het hof concludeerde dat de zoon sinds 2015 bij zijn moeder woonde vanwege haar zorgbehoefte en dat de samenwoning niet van aflopende aard was. Verklaringen en bankafschriften toonden aan dat zij samen huishoudelijke taken verrichtten en dat er sprake was van financiële verwevenheid, mede doordat de zoon een lagere uitkering ontving vanwege de kostendelersnorm. De tijdelijke opnames van de moeder deden niet af aan het duurzame karakter van de huishouding.
Het hof verwierp de bezwaren van Maasdelta en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij Maasdelta werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.