In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2021 betreffende de ontnemingszaak tegen de betrokkene, heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis vernietigd. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €110.583,52 en een betalingsverplichting van €105.583,52 opgelegd. Het hof heeft het voordeel opnieuw berekend op €99.275,00.
De betrokkene verklaarde ter terechtzitting dat een groot deel van de kasstortingen afkomstig was uit valutahandel met geleend geld, maar deze verklaring werd door het hof niet geloofwaardig bevonden wegens gebrek aan onderbouwing en tegenstrijdigheden met het dossier. Ook contante betalingen voor huurauto’s werden niet als opdracht van een derde erkend, waardoor deze bedragen werden meegerekend bij het voordeel.
Het hof achtte onvoldoende aannemelijk dat de betrokkene de huur van een woning contant had betaald of dat de aangetroffen kleding door hem was aangeschaft, waardoor deze bedragen buiten beschouwing werden gelaten. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met 2 jaar en 7 maanden werd de betalingsverplichting verminderd met €9.275,00 tot €90.000, welke aan de Staat moet worden betaald.
Het arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. J.W. van den Hurk en mr. E.A. Lensink op 19 oktober 2022.