ECLI:NL:GHDHA:2022:2422
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake niet-ontvankelijkheid OM op grond van artikel 14 lid 5 IVBPR verworpen
In deze zaak stond een preliminair verweer centraal dat strekte tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) op grond van artikel 14 lid 5 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De verdediging voerde aan dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken en de huidige Nederlandse cassatieprocedure niet voldeed aan de eisen van het IVBPR, zoals bevestigd in een recente uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité.
Tijdens de regiezitting op 16 november 2022 lichtte de raadsman dit standpunt toe en verzocht hij subsidiair om het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De advocaat-generaal betoogde dat de uitspraken van het VN-comité geen directe werking hebben en dat het OM ontvankelijk is. Het hof oordeelde dat het IVBPR directe werking heeft, maar dat de uitspraken van het VN-comité niet bindend zijn. Tevens achtte het hof het voorstelbaar dat de Hoge Raad, indien nodig, de zaak zou kunnen verwijzen naar een andere feitenrechter om het vermeende gebrek te herstellen.
Het hof verwierp het preliminaire verweer en verklaarde het OM ontvankelijk. Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen werd eveneens afgewezen, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat artikel 14 lid 5 IVBPR Pro niet in strijd is met de Nederlandse cassatieprocedure. Het hof benadrukte dat het niet vooruitloopt op mogelijke toekomstige beslissingen van de Hoge Raad en verwees naar de specifieke omstandigheden van de zaak en de relevante jurisprudentie.
Uitkomst: Het hof verwierp het preliminaire verweer en verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk, en wees het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af.