ECLI:NL:GHDHA:2022:2279
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing mentorschap wegens onvoldoende samenwerking en zelfstandigheid betrokkene
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die een mentorschap had ingesteld ten behoeve van betrokkene en BewindvoeringZorg B.V. als mentor had benoemd. Betrokkene verzocht om opheffing van het mentorschap omdat zij van mening was dat zij haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf kan behartigen en dat het mentorschap op onjuiste gronden was ingesteld.
In eerste aanleg was betrokkene niet ontvankelijk verklaard in haar eigen verzoek, maar het hof oordeelde dat de dochter bevoegd was het mentorschap te verzoeken en dat betrokkene in hoger beroep haar zienswijze kon geven. Betrokkene voerde aan dat het neuropsychologisch onderzoek onrechtmatig was gebruikt en dat zij geen toestemming had gegeven voor verspreiding van het verslag.
Het hof stelde vast dat betrokkene ten tijde van de bestreden beschikking niet in staat was haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard volledig waar te nemen vanwege cognitieve achteruitgang en andere gezondheidsproblemen. Echter, inmiddels woont betrokkene zelfstandig en is er geen samenwerking met de mentor, die ook verklaarde weinig werkzaamheden te verrichten. Het hof concludeerde dat voortzetting van het mentorschap niet zinvol is en besloot het mentorschap op te heffen met ingang van de datum van de beschikking.
Uitkomst: Het mentorschap wordt opgeheven omdat betrokkene zelfstandig woont en niet meewerkt, waardoor voortzetting niet zinvol is.