ECLI:NL:HR:2017:2562

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2017
Publicatiedatum
5 oktober 2017
Zaaknummer
17/00322
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 799 lid 2 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dat voor ondercuratelestelling geen actuele medische verklaring vereist is

Betrokkene werd onder curatele gesteld wegens een bipolaire stoornis en alcoholmisbruik, wat zijn vermogen en belangenbehartiging ernstig belemmerde. De kantonrechter en het hof bevestigden deze maatregel, ondanks betrokkene's verzet en het ontbreken van een actuele medische verklaring.

Het hof hechtte weinig waarde aan verklaringen van psychiaters die betrokkene verdedigden, mede vanwege het ontbreken van informatie over hun onderzoeksmethoden. De Hoge Raad oordeelde dat de wet niet vereist dat een actuele medische verklaring wordt overlegd en dat het aan de rechter is om te bepalen of een medisch onderzoek noodzakelijk is.

De Hoge Raad verwierp het betoog dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 8 EVRM Pro) en aanbevelingen van de Raad van Europa een dergelijke verplichting opleggen. De omstandigheden van deze zaak verschilden wezenlijk van eerdere jurisprudentie over vrijheidsbeneming.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht de ondercuratelestelling handhaafde en dat het beroep in cassatie faalde. De beschermingsmaatregel blijft noodzakelijk geacht vanwege de geestelijke toestand en het gedrag van betrokkene.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ondercuratelestelling zonder vereiste van actuele medische verklaring.

Uitspraak

6 oktober 2017
Eerste Kamer
17/00322
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. F.I. van Dorsser,
t e g e n
[de echtgenote] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen
en
1. VEEN EN VESTE BEWIND EN BUDGET B.V.
kantoorhoudende te Emmer-Compascuum ,
2. [betrokkene 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [betrokkene 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [betrokkene 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de echtgenote c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 4631736 VC VERZ 15-141 van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2015;
b. de beschikking in de zaak 200.187.562/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2016.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De echtgenote c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 14 juli 2017 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Omstreeks 2009 is een bipolaire stoornis bij
betrokkene geconstateerd. In de periode van 17 juli 2009 tot 12 juni 2014 is betrokkene hiervoor in behandeling geweest bij het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). In 2014 heeft betrokkene het gebruik van de voorgeschreven medicatie op eigen initiatief gestaakt.
3.2.1
De echtgenote van betrokkene heeft verzocht hem onder curatele te stellen. Volgens haar is betrokkene ten gevolge van zijn bipolaire stoornis en het bovenmatig gebruik van alcohol niet in staat, al dan niet met tussenpozen, om zijn financiële en immateriële belangen te behartigen.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij onder meer een concept-verklaring van [betrokkene 5] overgelegd, psychiater in het UMCG.
Betrokkene heeft zich tegen de verzochte maatregel verzet. Hij betwist dat hij lijdt aan een bipolaire stoornis en niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Ter ondersteuning van zijn verweer heeft hij onder meer verklaringen overgelegd van de psychiaters [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , alsmede een door hem via internet verrichte zelftest.
3.2.2
De kantonrechter heeft het verzoek bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking toegewezen.
3.2.3
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat het geringe waarde hecht aan de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , omdat informatie ontbreekt over de wijze waarop hun psychiatrische onderzoeken van betrokkene hebben plaatsgevonden en over de basis van hun conclusies. Ook aan de uitslagen van de door betrokkene via internet verrichte zelftest hecht het hof geringe betekenis. Volgens het hof is een en ander in ieder geval niet voldoende om tegenwicht te bieden aan de zorgelijke verklaringen van de naasten van betrokkene, de verklaring van de tot medio 2014 behandelend psychiater en de opgesomde feitelijkheden waaruit het zorgelijke gedrag van betrokkene blijkt (rov. 5.7). Daarbij komt volgens het hof dat de ervaringen van de curator tot nu toe de noodzaak van de maatregel alleen maar bevestigen (rov. 5.8). Na te hebben vastgesteld dat sinds de bestreden beschikking diverse aangiftes tegen betrokkene zijn gedaan, dat uit een bericht aan de curator van augustus 2016 blijkt dat er bij de hulpverlening grote zorgen over betrokkene bestaan en dat de zorgelijke gedragsverandering dateert van ruim voor het herseninfarct dat betrokkene ter verklaring van een aantal verschijnselen aanvoert (rov. 5.9-5.11), heeft het hof overwogen:
“5.12 Alles overziend is het hof met de echtgenote, de kinderen en de curator van oordeel dat de kantonrechter de betrokkene terecht onder curatele heeft gesteld en dat de noodzaak tot het voortduren van die beschermingsmaatregel nog immer bestaat. De onafhankelijke curator ervaart evenals de naasten dat de betrokkene bij tijd en wijle volledig het zicht op de werkelijkheid kwijt is en met de meest bizarre zaken dan wel rechtshandelingen op de proppen komt. Dit past in het door de voormalig psychiater van de betrokkene geschetste beeld dat diens bipolaire stoornis zonder behandeling met medicatie ontaardt in manische episodes. Tijdens een manie kunnen mensen ook last hebben van psychotische verschijnselen en van sociale en relationele problemen zo blijkt uit de beschikbare informatie. De curator onderschrijft de stelling van de echtgenote en het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene zijn belangen niet behoorlijk waarneemt als gevolg van zijn geestelijke toestand en door gewoonte van drankmisbruik. Het hof sluit zich daarbij aan.
5.13
Evenals de curator is het hof van oordeel dat de beschermingsmaatregel van bewind gecombineerd met mentorschap niet zwaar genoeg is in de bijzondere situatie van de betrokkene. (…)”
3.3.1
Onderdeel I van het middel bestrijdt de beslissing van het hof met het betoog dat voor ondercuratelestelling steeds een onafhankelijk oordeel van een ter zake kundige arts/psychiater vereist is, gebaseerd op een onderzoek naar de feitelijke en geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de indiening van het verzoek, verricht met het doel de noodzaak tot ondercuratelestelling te beoordelen. Door zijn oordeel te baseren op een conceptverklaring van anderhalf jaar oud die niet specifiek met genoemd doel is opgesteld, heeft het hof volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het in het bijzonder art. 8 EVRM Pro, alsmede Aanbeveling No. R (99) 4 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa “
Principles concerning the legal protection of incapable adults” van 23 februari 1999 geschonden.
3.3.2
Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de wet ten aanzien van een verzoek tot ondercuratelestelling niet de verplichting bevat om een verklaring van een deskundige over te leggen. Vaste rechtspraak is voorts dat ter vrije beoordeling van de rechter staat of deze een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk acht alvorens te beslissen tot ondercuratelestelling (zie onder meer HR 28 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7862, NJ 1983/481). Hij hoeft tot het gelasten van een zodanig onderzoek niet over te gaan indien hij op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting tot de overtuiging is gekomen dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van de maatregel is voldaan (vgl. art. 799 lid 2 Rv Pro).
3.3.3
Anders dan het onderdeel betoogt, volgt ook uit de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 8 EVRM Pro niet dat de rechter een verzoek tot ondercuratelestelling nimmer kan toewijzen zonder dat een medisch onderzoek naar de actuele feitelijke en geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene is verricht. De in het onderdeel genoemde rechtspraak ziet op vrijheidsbeneming, waarvan bij ondercuratelestelling geen sprake is. De door het onderdeel bepleite rechtsregel volgt evenmin uit de uitspraak van het EHRM van 27 maart 2008, nr. 44009/05, ECLI:CE:ECHR:2008:0327 (Shtukaturov/Rusland), die mede betrekking heeft op ondercuratelestelling. Bij zijn oordeel dat de medische verklaring waarop die maatregel berustte, van onvoldoende gewicht was om de inbreuk op het privéleven van de betrokkene te rechtvaardigen, nam het EHRM immers in het bijzonder in aanmerking dat naar het toepasselijke recht de maatregel voor onbepaalde tijd gold, zonder mogelijkheid voor de betrokkene om deze anders dan met medewerking van de curator in rechte aan te vechten of te doen opheffen, en dat daaraan het rechtsgevolg van volledige handelingsonbekwaamheid was verbonden (welk rechtsgevolg bovendien meebracht dat de betrokkene zonder rechterlijke machtiging gedwongen kon worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis – hetgeen ook was gebeurd) (zie onder 90 en 95, in verbinding met 21, 52 en 56). Voorts nam het EHRM in aanmerking dat de rechter de beslissing tot ondercuratelestelling uitsluitend had gebaseerd op de gebrekkig geoordeelde medische verklaring en dat de betrokkene zelf niet was gehoord of op andere wijze in de procedure was betrokken (zie onder 91-94). Van dit alles is in deze zaak geen sprake.
3.3.4
De aanbevelingen van het Comité van Ministers waarop het onderdeel een beroep doet, leveren evenmin een grond op om de door het onderdeel bepleite rechtsregel te aanvaarden. Deze aanbevelingen zijn, hoewel zij een zekere mate van consensus weerspiegelen, niet bindend (zie de hiervoor in 3.3.3 genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak Shtukaturov/Rusland, onder 95).
3.3.5
Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond de in het onderdeel bepleite rechtsregel te aanvaarden. Het onderdeel faalt dus.
3.3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
6 oktober 2017.