ECLI:NL:GHDHA:2022:2155
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter inzake kinderalimentatie Nederland-België
In deze zaak ging het om een geschil tussen een vrouw woonachtig in België en een man woonachtig in Nederland over kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. Het hof verwees naar een eerdere tussenbeschikking uit 2019 en hield de behandeling van de zaak meerdere malen aan in afwachting van de Belgische procedure.
Partijen bereikten een vrijwel volledige overeenstemming over de alimentatie, vastgelegd in een overeenkomst van 16 juni 2022, die door de Belgische rechtbank op 23 juni 2022 werd bekrachtigd. Twee punten bleven echter onopgelost: de hoofdverblijfplaats en medische behandelingen van het kind.
Het hof stelde vast dat de Belgische rechter internationaal bevoegd is en dat tegen deze beslissing geen hoger beroep mogelijk is. Daarom verklaarde het hof zich op grond van artikel 12 lid 2 van Pro de Europese Alimentatieverordening onbevoegd om kennis te nemen van het alimentatieverzoek van de vrouw. De onbevoegdverklaring betreft alleen de alimentatie; de Nederlandse rechter kan wel kennisnemen van het verzoek tot proceskostenveroordeling, maar het hof zag geen aanleiding om de man in de kosten te veroordelen.
De bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2018 werd vernietigd, de Nederlandse rechter internationaal onbevoegd verklaard en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verklaart de Nederlandse rechter internationaal onbevoegd en compenseert de proceskosten.