Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 4 oktober 2022
Het verdere verloop van het geding
17 december 2022 verstrekt.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
A-C van aandelen in de BV?
€ 14.000.000,- minus beleggingsvermogen € 5.013.956,- = € 8.986.044,- maal 25% =
€ 2.246.511,-. In randnummer 5 van de akte houdende uitlatingen van 25 mei 2021 stellen appellanten:
na 1 jaar wordt verkocht door de erfgenamen tegen de waarde in het economisch verkeer. De contante waarde van de belastingclaim is dan als volgt te berekenen. De gerealiseerde vrije kasstroom in jaar 1 is: 10% * € 1.000 = € 100. Op het moment van verkoop aan het einde van jaar 1 heeft de onderneming een waarde in het economisch verkeer van € 1.100. Ofwel de totale waarde aan het einde van jaar 1 voor de erfgenamen is € 1.100 (€ 1000 + € 100) waarover 25% belasting verschuldigd is. Dat resulteert in een belastingbedrag van € 275. Dit belastingbedrag is verschuldigd aan het einde van jaar 1 en dient derhalve nog contant te worden gemaakt naar het begin van het jaar. De te hanteren kostenvoet voor het contant maken van dit belastingbedrag is ook 10% omdat de hoogte van het belastingbedrag meebeweegt met de vrije kasstroom en daardoor een gelijk risicoprofiel heeft. Hieruit volgt dat de contante waarde van de verschuldigde belasting € 250 (€ 275/1,10) bedraagt. Dit is gelijk aan de nominale heffing van 25% * de waarde aan het begin van het jaar van € 1.000.“
A-C aangezien het hof niet heeft kunnen controleren op welke wijze de waarde van de certificaten zijn gewaardeerd en met name wat de uitgangspunten van de berekening zijn geweest. Voorts wenste het hof inzicht te krijgen in de vermogenskostenvoet indien de certificaten A-C zijn gewaardeerd op basis van het contant maken van toekomstige kasstromen. De wijze van waardering van de onderneming/certificaten A-C is mede van belang voor de waardering van de AB-claim alsmede voor het oordeel voor welk bedrag de latente AB-claim in de samenstelling van de legitimaire massa dient te worden betrokken. Als de certificaten A-C zijn gewaardeerd op basis van het contant maken van toekomstige kasstromen dient de vermogenskostenvoet die is gehanteerd voor de berekening daarvan eveneens gebruikt te worden voor de waardering van de latente AB-claim die direct verband houdt met het bezit van deze certificaten van aandelen A-C. Immers, indien de bezittingen op basis van toekomstige kasstromen worden gewaardeerd, zou het bij gebreke van een overtuigende motivering waarom dat anders zou moeten zijn, welke motivering in deze zaak niet voorhanden is, methodologisch onaanvaardbaar zijn als de met die bezittingen rechtstreeks corresponderende al dan niet latente schulden op basis van een ander uitgangspunt zouden dienen te worden becijferd.
- De certificaten zijn gewaardeerd per 25 februari 2015. Hierbij is uitgegaan van de balans per die datum.
- Bij de waardeberekening is uitgegaan van een stand alone situatie en van fair market value. Eventuele strategische premies die potentiële kopers van de ondernemingen bereid zouden zijn te betalen, blijven buiten beschouwing.
- Verder is de aanname gehanteerd van een going concern situatie:
- Er is gebruikgemaakt van de door de directie opgestelde prognose. [naam 1] heeft geen zelfstandig marktonderzoek uitgevoerd.
- Om de marktwaarde van de certificaten van de aandelen A t/m C in de BV te bepalen is de discounted cashflow methode gehanteerd.
- In deze methode worden de toekomstige verwachte geldstromen van de onderneming contant gemaakt naar het waarderingsmoment, 25 februari 2015.
- De hierbij gehanteerde vermogenskostenvoet bedraagt 14,9%.
- Voor de waardeberekening is de DCF-methode gehanteerd.
- De waardeberekening is gebaseerd op de fair market value, op stand alone basis en het going concern principe.
- Allereerst wordt de waarde van (100%) van de onderneming bepaald. Deze waardering vindt plaats op geconsolideerd niveau.
- Vervolgens wordt de waarde van de aandelen A t/m C bepaald.
- Aangezien er geen (toepasbare) markt-multiples van vergelijkbare ondernemingen beschikbaar zijn, is de multiple methode niet toegepast.
Waar het hof op de zojuist aangegeven grond oordeelt dat de belastingclaim over de afkoopwaarde moet worden berekend naar zijn contante waarde op basis van een rekenrente van 4%, kan zulks niet anders worden begrepen dan dat in `s hofs gedachtegang de belasting over de afkoopwaarde niet op de peildatum maar in de toekomst verschuldigd zou worden. Dit uitgangspunt laat zich evenwel niet verenigen met de door het hof als basis voor de berekening van de te verdelen vermogensgroei genomen afkoopwaarde van de verzekering op de peildatum, aangezien daarmee – zij het fictief – wordt uitgegaan van uitkering van de waarde op die datum. Dat brengt mee dat, gelijk de rechtbank heeft gedaan, voor de berekening van de daarop in mindering te brengen belastingclaim, ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde afkoopwaarde.”
contante waarde van de toekomstige geldstromende waarde van de certificaten A-C is berekend (en wel op € 14.000.000,-), de met
die contante waarde corresponderende latente AB-claim tegen het per de datum van waardering nominale percentageals passiefpost dient te worden opgevoerd op de balans (in dit geval van de legitimaire massa) waarop voormelde waarde van de certificaten A-C van € 14.000.000,- wordt opgevoerd.
€ 8.986.044,- x 25% oftewel) € 2.246.511,-. Ter zake het bedrag van € 5.013.956,- verwijst het hof naar randnummer 4 van de akte van appellanten van 25 mei 2021. Dit betreft beleggingsvermogen.
€ 1.000,- terwijl de verkrijgingsprijs ervan te verwaarlozen was. De rechtsopvolgers van de overleden aanmerkelijk belanghouder stonden voor de keuze om de aanmerkelijk belangclaim verband houdend met de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang door de erflater bij gelegenheid van zijn overlijden acuut af te rekenen (tarief 25% oftewel € 250,-) dan wel ‘de claim door te schuiven’. Zou, ter bepaling van de gedachten, de waarde van het aanmerkelijk belang in de toekomst verondersteld worden ongewijzigd (dat wil zeggen
€ 1.000,-) te blijven, dan is op de waardeontwikkeling van het aanmerkelijk belang blijkbaar een percentage van 0% van toepassing. Teneinde, tegen een rentepercentage van 0%, op enig moment in de toekomst (er al van uitgaande dat het tarief in Box 2, in 2022 overigens 26,9% bedragend, niet zou wijzigen) de beschikking te hebben over het alsdan bij een daadwerkelijke vervreemding van het aanmerkelijk belang of bij een fictieve vervreemding ervan waarbij (bijvoorbeeld ten gevolge van een wetswijziging zoals zich die per 1 januari 2010 heeft voorgedaan) niet kan worden doorgeschoven, te betalen bedrag aan inkomstenbelasting, zal een bedrag gelijk aan € 250,- afgezonderd dienen te worden dat immers, zoals gezegd, evenmin als blijkbaar de waarde van het aanmerkelijk belang dat verondersteld wordt te doen, niet, althans tegen 0% zal aangroeien in de loop der volgende jaren.
€ 2.246.511,-.
€ 14.000.000,- zij in het kader van de inkomstenbelasting zullen dienen af te rekenen in
Box 2 over een conform art. 4.19 Wet IB 2001 te bepalen vervreemdingsvoordeel dat mede wordt bepaald op basis van bedoelde overdrachtsprijs van € 14.000.000,-.
A-C corresponderende AB-claim dient te worden afgerekend. Was het tot 1 januari 2010 zo dat bij overlijden van een aanmerkelijk belanghouder onbeperkt kon worden doorgeschoven, sinds die datum zijn aan het doorschuiven bij (uiteindelijk) het overlijden van de erflater voorwaarden verbonden, zoals de in art. 4.17a Wet IB 2001 geformuleerde ‘ondernemingseis’.
A-C van aandelen in de BV?
[naam 2] heeft bevestigd dat de certificaten A-C niet ‘definitief’ door [naam 2] zouden zijn gewaardeerd.
[naam 2] van 14 oktober 2021 volgt dat hij zijn standpunt inzake zijn rapportage van
3 februari 2016 handhaaft aangezien de door de heer [naam 3] – accountant van het concern van erflater en adviseur van appellanten – aangedragen argumenten hem er niet van hebben overtuigd dat zijn bevindingen niet goed zijn.
van zijn ouders schenkingen (althans giften in de zin van thans artikel 7:186 lid 2 BW Pro) zou ontvangen tot een bedrag van f 2.250.000,--, te vermeerderen met schenkingsrecht. Omdat niet in geschil is dat aan deze toezegging nadien uitvoering is gegeven, moet de helft van het equivalent daarvan in euro`s (€ 580.968,--) bij de berekening van de legitieme portie van [naam zoon] in aanmerking moet worden genomen.”
Kern van de zaak in de visie van appellanten
De kern van de zaak in de visie van geïntimeerde
[naam 2] gaat overdoen. De heer [naam 2] is door de kantonrechter benoemd en heeft zijn werk in de visie van het hof als een onpartijdige deskundige verricht en zijn bevindingen in een helder rapport weergegeven. Voorts is het hof van oordeel dat geïntimeerde over voldoende gegevens beschikt om ook zelf de legitimaire massa van erflater te berekenen.
Proceskosten
Beslissing
€ 236.787,33: veroordeelt geïntimeerde om het te veel ontvangen bedrag inzake de legitieme aan appellanten terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat uitvoering is gegeven aan het bestreden vonnis tot aan de datum van de feitelijke betaling;