In deze civiele zaak vordert verhuurder Woonforte ontbinding en ontruiming van een sociale huurwoning vanwege de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs in de woning en een auto van de huurder. De huurder, [appellante], stelt geen wetenschap te hebben gehad van de drugs en benadrukt het belang van haar en haar vier minderjarige kinderen bij het behoud van de woning.
De rechtbank ontbindt de huurovereenkomst en veroordeelt tot ontruiming, waarbij zij het belang van de verhuurder zwaarder acht. In hoger beroep betoogt [appellante] dat zij onschuldig is, maatregelen heeft genomen en dat ontruiming disproportioneel is vanwege de impact op haar kinderen, met name het oudste kind met concentratieproblemen.
Het hof oordeelt dat ondanks de ernstige tekortkoming door de drugs, de belangenafweging in dit specifieke geval het behoud van de woning voor [appellante] en haar kinderen rechtvaardigt. Er is onvoldoende bewijs dat handel vanuit de woning plaatsvond of dat omwonenden overlast ondervonden. De echtscheiding van [appellante] en [betrokkene] is niet misbruikt om de woning te behouden. Het belang van de kinderen weegt zwaar, waardoor de ontbinding niet gerechtvaardigd is.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de ontbinding betreft, wijst de vorderingen van Woonforte af en veroordeelt Woonforte in de proceskosten van beide instanties.