ECLI:NL:GHDHA:2022:1425
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van BIZ-bijdragen en hun verenigbaarheid met EU-recht en EVRM
Belanghebbende, eigenaar van onroerende zaken in de Bedrijveninvesteringszone Stadscentrum Spijkenisse, maakte bezwaar tegen de opgelegde BIZ-bijdragen voor 2017. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de Rechtbank Rotterdam, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het geschil betrof de vraag of de BIZ-bijdragen in strijd zijn met het vrije verkeer van personen, kapitaal en diensten binnen de Europese Unie en met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof overwoog dat de BIZ-bijdragen geen onderscheid maken tussen binnenlandse en buitenlandse eigenaren en dat de regeling een legitiem doel dient, namelijk het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid en economische ontwikkeling binnen de BI-zone.
Het Hof verwees naar eerdere jurisprudentie en de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij fiscale maatregelen. De waarborgen in de Wet BIZ voorkomen onevenredige lastenverdeling tussen eigenaren en gebruikers. Belanghebbende maakte geen aannemelijk dat zij een individuele buitensporige last draagt. Het Hof wees het beroep af en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.
Partijen hadden geen behoefte aan een mondelinge behandeling. De uitspraak werd schriftelijk gedaan en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de BIZ-bijdragen blijven van kracht.