ECLI:NL:GHDHA:2021:779
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid OM wegens niet voldoen aan inspanningsverplichting artikel 167a Sv
In deze strafzaak was het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de inspanningsverplichting uit artikel 167a Sv om de minderjarige, tegen wie het zedenmisdrijf was gepleegd, te horen. De minderjarige was ten tijde van de feiten 13 en 14 jaar oud en meerdere malen als getuige gehoord door de politie. De rechtbank oordeelde dat het OM zonder zwaarwegende omstandigheden niet tot vervolging mocht overgaan.
Het hof stelt dat het niet expliciet vragen naar de mening van de minderjarige niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid. Uit eerdere verhoren blijkt dat de minderjarige niet wilde dat de verdachte werd vervolgd, maar dit is slechts één van de belangen die het OM moet afwegen. Het hof benadrukt dat het OM een afweging moet maken tussen het belang van de minderjarige en het algemeen maatschappelijk belang.
Gezien het grote leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van het meisje, dat onder toezicht stond en uit huis was geplaatst, acht het hof er zwaarwegende omstandigheden om tot vervolging over te gaan. Het verzuim van het OM kan niet worden aangemerkt als een verzuim jegens de verdachte in de zin van artikel 359a Sv. Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van niet-ontvankelijkheid en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.