Uitspraak
Arrest van 9 maart 2021
[appellant] ,
Innerwood Aannemersbedrijf B.V.,
De verloop van de procedure
- het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2019 (hierna: het bestreden vonnis) en de daarin genoemde processtukken;
- de dagvaarding in hoger beroep van 3 januari 2020;
- het tussenarrest van 4 februari 2020 waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (die geen doorgang heeft gevonden);
- productie 13 aan de zijde van [appellant] ;
- de memorie van grieven tevens vermeerdering van eis (met productie);
- de memorie van antwoord.
De beoordeling van het hoger beroep
Het betreft geen fundering op staal maar een fundering op betonpalen, deze is veel minder gevoelig voor het doorgeven van trillingen.
die volgens opgave van de bewoners/eigenaren recent[is]
ontstaan”, maar die scheur staat niet op de plattegrond van [appellant] en is ook niet door [partijdeskundige 2] beschreven. [partijdeskundige 2] noemt alleen (in algemene zin) “de eerste verdieping”, niet de badkamer.
“het merendeel van de geconstateerde schade [kan] worden gerelateerd aan de trillingen bij de verbouwing van de aangrenzende woning”komt daarmee op losse schroeven te staan en geeft geen gedegen onderbouwing van de stelling van [appellant] dat Innerwood (haar)scheuren in zijn woning heeft veroorzaakt.
kan/kon”ontstaan (zie onder 2.10.). Hij concludeert niet dat schade
isontstaan door de werkzaamheden van Innerwood.
een extern schildersbedrijf dat heeft vastgesteld dat de muren geen gebreken vertoonden”. Het hof neemt aan dat [partijdeskundige 2] doelt op de verklaring van “ [voornaam 1] & [voornaam 2] ”. Hetgeen [partijdeskundige 2] aanneemt volgt echter niet uit die verklaring, zoals hierna nog wordt toegelicht.