Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 6 april 2021
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
1. DVR Warehousing B.V.,
2. DVR Warehousing Maasvlakte B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primair: zowel DVR Spijkenisse als DVR Maasvlakte te veroordelen om € 25.000,00 aan [appellant] te betalen, met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente;
grieven I tot en met VIbestrijdt [appellant] de rechtsoverwegingen 4.1.2 en 4.1.3 van het vonnis, waar de rechtbank door uitleg van de overeenkomst de betekenis van het boetebeding in artikel 8 van Pro de overeenkomst vaststelt en tot de conclusie komt dat DVR er in de gegeven omstandigheden van mocht uitgaan dat SDL, IMW en Aepex niet als ‘derden’ in de zin van die bepaling zijn aan te merken, zodat DVR het boetebeding niet heeft overtreden door de procedures aan die partijen door te sturen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
grief VIbenadrukt) ook aan opdrachtgever gelieerde ondernemingen omvatten, erop dat het beding een ruime strekking heeft. Gelet op deze ruime strekking ligt het voor de hand dat ook (belangrijke) klanten van de opdrachtgever, zoals SDL en IMW, slechts met nadrukkelijke toestemming van [appellant] de beschikking mochten krijgen over de procedurebeschrijvingen.
grieven I tot en met VIslagen derhalve in zoverre. Door procedurebeschrijvingen met SDL en IMW te delen, zonder dat [appellant] daarmee nadrukkelijk had ingestemd, hebben DVR Spijkenisse en DVR Maasvlakte gehandeld in strijd met het geheimhoudingsbeding. Of zij zich hiervan bewust waren op het moment van delen, is hierbij niet van belang.
grief VIIIonweersproken gesteld dat Aepex inmiddels is overgenomen door Deloitte en thans ook een ‘smarttool’ aanbiedt voor het doen van een AEO-vergunningsaanvraag. In elk geval staat niet vast dat [appellant] geen schade heeft geleden. Indien DVR of SDL/IMW de gedeelde gegevens slechts met enkele andere partijen deelt, kan de schade voor [appellant] gemakkelijk meer bedragen dan het bedrag van de bedongen boete. Wat de omstandigheden waaronder de boete is ingeroepen betreft, acht het hof van belang dat geen sprake is van een ‘lichte’ overtreding, maar dat DVR Spijkenisse alle voor haar opgestelde procedures heeft gedeeld en DVR Maasvlakte een aanzienlijk deel ervan. Het delen beperkte zich ook niet tot de beschrijvingen van de IT-procedures waarbij SDL/IMW uit hoofde van haar betrokkenheid bij het WMS wellicht geacht kon worden belang te hebben. Van een noodzaak tot het delen van de gegevens is het hof niet gebleken (zie hiervoor, onder 16). [appellant] heeft zich weliswaar niet verzet tegen betrokkenheid van SDL/IMW en ook Aepex bij de activiteiten die onder meer tot het verkrijgen van een AEO-vergunning moesten leiden, maar de stelling van DVR (conclusie van antwoord, onder 37) dat [appellant] heeft ingestemd met terhandstelling van de procedures aan deze partijen, passeert het hof als niet onderbouwd. Toewijzing van de boeten leidt niet tot een apert onredelijk resultaat, ook niet als zou moeten worden aangenomen dat DVR zich bij het delen van de beschrijvingen niet heeft gerealiseerd dat dit niet toegestaan was.
grief Xkomt [appellant] , onder meer, op tegen de afwijzing van zijn vordering onder 2, ertoe strekkende dat DVR op straffe van een dwangsom wordt bevolen om (a) stukken over te leggen waaruit blijkt aan wie zij de door [appellant] toegestuurde documenten hebben gedeeld en (b) om al die partijen schriftelijk te wijzen op het auteursrecht van [appellant] en hen te verbieden die stukken voor zichzelf te gebruiken en/of verder te openbaren.
grief X.
Painer). DVR heeft – reeds in eerste aanleg – betwist dat sprake is van een auteursrechtelijk werk, waarbij zij erop heeft gewezen dat het om feitelijke beschrijvingen van interne processen binnen DVR gaat. Hoewel dat, gelet op deze betwisting van een persoonlijk stempel op zijn weg had gelegen, heeft [appellant] niet (althans onvoldoende) toegelicht waarin zijn vrije creatieve keuzes in dit geval zijn gelegen. De algemene verwijzing bij pleidooi, inhoudende dat de manier waarop de procedures worden vastgelegd, de formulieren en de flowcharts zijn persoonlijk stempel dragen, volstaat daartoe niet. Nu niet is komen vast te staan dat op het werk van [appellant] auteursrecht rust, zal het hof het in 28 onder (b) bedoelde gebod afwijzen. Ook in zoverre faalt
grief X.
grief IX(en ook
grief X). Het hof is van oordeel dat het gevorderde verbod op grond van artikel 3:296 BW Pro voor toewijzing in aanmerking komt, maar zal daaraan geen dwangsom verbinden. Het gevaar dat DVR zich nogmaals aan overtreding van het geheimhoudingsbeding zal schuldig maken, acht het hof niet groot. En verder geniet [appellant] daartegen al bescherming door het in het geheimhoudingsbeding opgenomen boetebeding. De
grieven IX en Xslagen derhalve gedeeltelijk.
grief XIslaagt) en de kosten van het hoger beroep. De proceskosten aan de zijde van [appellant] worden tot op heden voor de eerste aanleg begroot op € 985,58 aan verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat (twee punten, tarief IV à € 1.074,-), en voor het hoger beroep begroot op € 831,97 aan verschotten en € 6.093,- aan salaris advocaat (drie punten, appeltarief IV à € 2.031,-), te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente als hierna vermeld.