Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde sub 1] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
2.4. De rechtbank heeft geoordeeld (samengevat) dat [geïntimeerde sub 1] c.s. voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat uit de kluis een bedrag van ruim € 200.000 is gestolen, onder verwijzing naar het volgende:
- de verklaringen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dat zij gespaard contant geld in de kluis bewaarden, in combinatie met de door hen overgelegde bankafschriften (met opnames in contanten) en het feit dat door [geïntimeerde sub 2] op de desbetreffende kaartjes een bepaalde administratie is gevoerd die op niets anders betrekking lijkt te hebben dan op het geld in de kluis, alsmede de in de kluis aanwezige enveloppen;
- de verklaring van [appellant III] (van 13 oktober 2013) dat er op sommige enveloppen een bedrag of iets anders geschreven stond. Dit ondersteunt de stellingen van [geïntimeerde sub 1] c.s. dat de enveloppen waren genummerd of van een andere aanduiding waren voorzien en dat deze aanduidingen correspondeerden met de nummers en aanduidingen die op de kaartjes waren geschreven;
- Ook de bedragen op de kaartjes kwamen voldoende overeen met de bedragen op de enveloppen, zoals valt af te leiden uit de verklaringen [geïntimeerde sub 1] c.s. (alhoewel deze wisselend waren) en die van [appellant III] , waarover de rechtbank het volgende heeft overwogen:
”
De recherche belde en zei: [geïntimeerde sub 2] , vertel nu maar eerlijk hoeveel er in de kluis zat. Dat heb ik toen gedaan. Er zat € 200.000,- in de kluis”. [geïntimeerde sub 1] heeft tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij op het moment van de inbraak niet wist hoeveel geld er in de kluis zat, omdat zijn vrouw de administratie deed. Hij wist wel dat er veel geld in zat en hij wist ook van het bestaan van de kaartjes af want die lagen altijd in de giromap. Het systeem van het nummeren van de kaartjes en enveloppen kende hij niet; hij bemoeide zich er nooit mee. Wel pinde hij af en toe geld, vooral aan het einde van het jaar werd geld afgeroomd. Dat gebeurde al ongeveer dertig jaar. Een paar dagen na de diefstal, toen [geïntimeerde sub 1] c.s. bij vrienden waren, had [geïntimeerde sub 2] contact met de politie en toen zei zij dat het ging om € 202.000. Toen de politie bij hen thuis kwam, heeft zijn vrouw eerst het bedrag van € 26.000 genoemd. Zij zaten in zak en as en hoopten dat [appellant I] . zou terugkomen met de kluis.
in ieder geval € 26.000 in de kluis lag”) en grief 3 (met betrekking tot de bewijslastverdeling) worden gelet op het voorgaande verworpen. Ook grief 4 treft geen doel, nu het hof in dit hoger beroep een eigen beoordeling van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [appellant I] . heeft gemaakt.
minimaal € 100.000”hebben genoemd. Verder staat vast dat zij enkele dagen later, op 13 oktober 2013, aan de politie het (in hun ogen) werkelijke bedrag hebben genoemd van € 202.370 (prod. 7 bij conclusie van antwoord [appellant I] .). Deze gang van zaken doet in onvoldoende mate af aan het voorshands geleverde bewijs.
in ieder geval € 26.000 aan contant geld bevond”) behoeft, gezien het hiervoor gegeven bewijsoordeel van het hof, geen verdere bespreking. Dit geldt ook voor grief 2 (die ziet op de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [appellant III] bij de politie). Grief 3 behoeft geen bespreking meer nu deze is gehonoreerd in het tussenarrest en [appellant III] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Ten aanzien van grief 4 is bij tussenarrest reeds geoordeeld dat het uitgangspunt van zelfstandigheid van de drie zaken meebrengt dat jegens iedere gedaagde slechts acht wordt geslagen op die stukken die in zijn procedure zijn overgelegd.