Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 24 maart 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
wpd 2017-2018 4,96%”
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, huurder van een tussenwoning, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €146.000 over de waardepeildatum 1 januari 2018. Na een bezwaarprocedure en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank Rotterdam, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een matrix waarin vergelijkingsobjecten werden gebruikt die qua ligging, inhoud en kwaliteit voldoende vergelijkbaar waren. De verkoopprijzen van deze objecten werden geïndexeerd naar de waardepeildatum met een percentage van 6,67%, gebaseerd op eigen marktonderzoek. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de indexering niet tijdig was verstrekt en dat de waarde van tuinhuisjes niet was meegenomen.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar tijdig alle relevante stukken had verstrekt, omdat het indexeringspercentage pas in hoger beroep ter discussie werd gesteld. De WOZ-waarde was niet te hoog vastgesteld, mede omdat de verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten adequaat waren verwerkt. De invloed van tuinhuisjes op de waarde werd als verwaarloosbaar beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €146.000 bevestigd.