Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 28 september 2021
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
De Nederlandse Voorschotbank B.V.,
Het verdere procesverloop in hoger beroep
- het proces-verbaal van deskundigenverhoor en comparitie van partijen van 13
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Subsidiair stelt [appellante] zich op het standpunt dat DNV met de eiswijziging de grondslag van de vordering verlaat en dat dit niet is toegestaan.
Meer subsidiair voert zij aan dat DNV haar vordering baseert op artikel 1:102 BW Pro (oud), dat bepaalde dat ieder der echtgenoten na ontbinding van de gemeenschap voor de helft aansprakelijk is voor andere dan gemeenschapsschulden. Nu [appellante] geen partij is bij de kredietovereenkomst, is ook geen sprake van een gemeenschapsschuld. Bovendien is artikel 1:102 BW Pro (oud), dat gold tot 1 januari 2012, niet van toepassing omdat de kredietovereenkomst nadien, op 1 maart 2013, is gesloten. Volgens artikel 1:102 BW Pro, zoals dat thans luidt, is een echtgenoot voor andere gemeenschapsschulden hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen. Nu de kredietsom volledig door [naam] is geïncasseerd en [appellante] daarvan niets heeft gekregen, is zij niet aansprakelijk voor de schuld aan DNV, aldus [appellante] .
Beslissing
- verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de tussen partijen gewezen tussenvonnissen van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2016 en 25 januari 2017;
- vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis in oppositie van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2017;