Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 9 maart 2021
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
1.1. [geïntimeerde] is directeur van Noordkaap TV Producties B.V. (hierna: Noordkaap) en presentator van het door Noordkaap geproduceerde televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’. Het programma wordt uitgezonden door Talpa TV B.V., voorheen SBS Broadcasting B.V. (hierna: SBS). In 2011 is in dit programma aandacht besteed aan spermadonoren die op internet actief zijn, onder wie [appellant] . [appellant] heeft voorafgaand aan de uitzending een kort geding tegen [geïntimeerde] en Noordkaap aangespannen en een verbod van uitzending gevorderd. Bij vonnis van 18 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam deze vordering afgewezen.
1.2. [appellant] heeft vervolgens een bodemprocedure tegen [geïntimeerde] , Noordkaap en SBS aanhangig gemaakt. Hij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de uitzending jegens hem onrechtmatig is. Daarnaast hij heeft afgifte gevorderd van de gemaakte opnames. Bij vonnis van 4 december 2013 heeft de rechtbank Amsterdam deze vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 6 mei 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam [geïntimeerde] , Noordkaap en SBS ontslagen van instantie omdat [appellant] zich in hoger beroep niet had gesteld. [appellant] heeft een procedure tot herziening van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2013 aanhangig gemaakt op de grond dat in die procedure bedrog is gepleegd. Bij vonnis van 22 mei 2019 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering tot herziening afgewezen. [appellant] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Daarop is nog niet beslist.
Ik verzoek u mij voor 16 uur vanmiddag te bevestigen dat u zich zult onthouden van het publiceren van de privé-adresgegevens van de heer [geïntimeerde] . Doet u dat niet, dan rest mij helaas geen andere optie dan de gang naar de kort geding rechter.’
(i) [appellant] te bevelen zich te onthouden van publicatie, in welke vorm en op welke plaats dan ook, van persoonlijke (adres)gegevens van [geïntimeerde] ;
(ii) [appellant] te gebieden om de persoonlijke (adres)gegevens van [geïntimeerde] te (doen) verwijderen van elke website en/of ander medium waarop of waarin hij die gegevens openbaar heeft gemaakt en deze verwijderd te houden;
(iii) [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 50.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [appellant] in strijd handelt met het onder (i) en of (ii) gevorderde;
(iv) [appellant] te veroordelen in de proceskosten.
Aan zijn vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant] ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bevestigd dat hij zich zou onthouden van de publicatie van de persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] , in verband waarmee de voorzieningenrechter de vordering van [geïntimeerde] heeft afgewezen. Desondanks heeft [appellant] in een telefoongesprek met de advocaat van [geïntimeerde] op 25 maart 2019 wederom gedreigd deze gegevens openbaar te zullen maken. Desgevraagd heeft hij geweigerd (opnieuw) te bevestigen dat hij daarvan zal afzien en medegedeeld dat hij de dagvaarding wel tegemoet ziet. [geïntimeerde] heeft daarom recht en belang bij een verbod, versterkt met een dwangsom. Het publiceren van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] levert volgens hem een inbreuk op zijn door, onder meer, artikel 8 EVRM Pro beschermde persoonlijke levenssfeer op en is onrechtmatig, nu een rechtvaardigingsgrond ontbreekt. Naar [geïntimeerde] heeft gesteld, lijdt hij door publicatie van zijn privéadres (onherstelbare) schade. Hij wordt als programmamaker en presentator regelmatig bedreigd op zijn kantooradres en het is voorstelbaar dat dergelijke bedreigingen ook aan zijn privéadres zullen worden geuit als dat bekend wordt, aldus [geïntimeerde] .
De voorzieningenrechter heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.
In deze zaak is sprake van een botsing tussen het grondrecht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en het grondrecht van [appellant] op een vrije meningsuiting. [appellant] heeft in het telefoongesprek op 25 maart 2019 met de advocaat van [geïntimeerde] te kennen gegeven voornemens te zijn over [geïntimeerde] te publiceren en, desgevraagd (ook ter zitting), niet willen bevestigen dat hij geen persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] zal publiceren. Daardoor is voldoende aannemelijk dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van een serieuze dreiging dat zijn persoonlijke adresgegevens door [appellant] zullen worden gepubliceerd. Hierbij is onder andere meegewogen dat in deze procedure niet betwist is dat een dergelijke publicatie onrechtmatig zou zijn. Onder deze omstandigheden brengt een afweging van de wederzijdse belangen van partijen met zich dat het belang van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dient te prevaleren. Er is aanleiding om aan het publicatieverbod, dat in duur wordt beperkt tot 24 maanden, een dwangsom te verbinden, die wordt gematigd en gemaximeerd. Nu ter zitting namens [geïntimeerde] is verklaard dat er thans geen persoonlijke adresgegevens van hem op internet of een ander medium zijn aangetroffen, is onvoldoende aannemelijk dat [appellant] deze heeft gepubliceerd. Het onder (ii) gevorderde gebod om de persoonlijke (adres)gegevens van [geïntimeerde] te (doen) verwijderen wordt daarom afgewezen.
Ambtshalve merkt het hof op dat de nieuwe grief niet in strijd is met de goede procesorde. Het incidenteel appel is ingesteld op 30 juli 2019. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] sinds december 2019 berichten op Twitter plaatst die adresgegevens van hem bevatten. Uit de door [geïntimeerde] ter onderbouwing van deze stelling overgelegde stukken blijkt dat [appellant] in februari en maart 2020 op een door hem gecreëerd twitteraccount tweets heeft geplaatst waarin het woonadres van [geïntimeerde] wordt genoemd. Nu deze feiten dateren van na het instellen van het incidentele appel is een uitzondering op de regel dat de grieven uiterlijk bij memorie van grieven (in incidenteel appel) moeten worden aangevoerd, gerechtvaardigd.
Het hof merkt op dat, nu de wrakingskamer van het hof heeft geoordeeld dat in de wrakingsprocedure in eerste aanleg geen sprake is geweest van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, daarmee vaststaat dat hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank ook niet, achteraf bezien, openstond wegens aanwezigheid van een doorbrekingsgrond.
tenuitvoerleggingvan een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld. Bij een rechterlijke beslissing tot afwijzing van een wrakingsverzoek kan geen sprake zijn van tenuitvoerlegging van die beslissing, dus evenmin van schorsing daarvan.
Verder merkt het hof op dat [appellant] niet heeft willen toelichten, ook niet nadat hem dat uitdrukkelijk ter zitting van het hof is gevraagd, waarom hij persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] zou willen publiceren. Van een recht kan misbruik worden gemaakt, bijvoorbeeld wanneer de uitoefening daarvan geen ander doel heeft dan een ander te schaden. [appellant] heeft in ieder geval niet duidelijk gemaakt welk rechtens te respecteren belang hij heeft bij de openbaarmaking van de persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] , terwijl [geïntimeerde] gemotiveerd stelt dat en waarom hij daarvan nadeel ondervindt. [appellant] heeft in dit verband slechts verklaard dat hij afgifte van de (ruwe) opnamebeelden die van hem zijn gemaakt en een gesprek met [geïntimeerde] wil, maar dat [geïntimeerde] hiertoe niet bereid is. Voor zover hieruit moet worden begrepen dat de openbaarmaking van [geïntimeerde] adresgegevens dient als ‘sanctie’ op de weigering van [geïntimeerde] om de (ruwe) opnamebeelden af te geven en om met [appellant] in gesprek te gaan, is het hof van oordeel dat dit niet als een rechtens te respecteren belang bij openbaarmaking van de adresgegevens van [geïntimeerde] kan worden aangemerkt.
inhoudelijkte bestrijden met gebruikmaking van zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Het openbaar maken van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] is daaraan niet dienstbaar en wordt daarom niet door dat recht op vrije meningsuiting beschermd.