Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 2 november 2021
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
Delfts Brood B.V.,
Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019 (hierna: het bestreden vonnis);
- de dagvaardingen in hoger beroep van 13 en 14 augustus 2019;
- de memorie van grieven van de curator, met daarin opgenomen zeven grieven (met producties 43 t/m 54);
- de memorie van antwoord van Van den Heuvel c.s., met een productie;
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van Van Nuland c.s.;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de curator.
De feiten
Grief Iis gericht tegen de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. De curator heeft daarbij niet concreet aangegeven welke specifieke feiten aanvulling en/of wijziging behoeven. De in de memorie van grieven onder 54 door de curator – als samenvatting – uiteengezette feiten wijken ook niet af van hetgeen door de rechtbank in het bestreden vonnis als feiten is vastgesteld, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen (voor zover relevant aangevuld met feiten die evenmin ter discussie staan).
(…)
(…)
Onder het voeren van management wordt verstaan het voeren van de directie in de meest ruime zin van het woord. (…)
Artikel 4
(…)
(…)
Onder het voeren van management wordt verstaan het voeren van de directie in de meest ruime zin van het woord. (…)
Artikel 4
De vordering van de curator en het vonnis van de rechtbank
De grieven en de vorderingen in hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of de betalingen van management fees door Delfts Brood B.V. aan Van den Heuvel Holding en Van Nuland Beleggingen zijn aan te merken als onverplichte rechtshandelingen als bedoeld in artikel 42 Fw Pro. Hierop ziet grief II van de curator.
onverplichterechtshandeling waarvan de curator de nietigheid inroept. Een rechtshandeling is onverplicht als deze wordt verricht zonder dat daartoe een op de wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat.
Grief IIfaalt daarom.
Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Van den Heuvel c.s. begroot op € 15.084,-;
- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019 voor zover Van Nuland Beleggingen en Van Nuland daarin zijn veroordeeld tot betaling aan de curator van een bedrag van € 220,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
- wijst de vorderingen van de curator integraal af;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Van Nuland c.s. begroot op € 15.084,-;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Van Nuland c.s. begroot op € 7.542,-;
- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.