ECLI:NL:GHDHA:2021:189
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot afgifte stukken wegens ontbreken rechtmatig belang na beëindigde procedures
Appellant vorderde op grond van artikel 843a Rv afgifte van diverse stukken van Wasserman, waaronder commissieovereenkomsten en correspondentie, ter onderbouwing van zijn vorderingen tegen Wasserman en andere partijen wegens onrechtmatig handelen en wanprestatie.
De rechtbank wees de vordering af omdat de procedures waarvoor de stukken nodig zouden zijn, inmiddels onherroepelijk waren geëindigd en appellant geen rechtmatig belang meer had. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat appellant onvoldoende heeft toegelicht waarom hij nog belang zou hebben bij de stukken, ook niet in het licht van een mogelijke nieuwe procedure.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, wijst de vordering in hoger beroep af en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep. De grieven van appellant falen omdat het gezag van gewijsde van de eerdere arbitrale uitspraken en rechterlijke beslissingen het belang bij de gevorderde stukken heeft weggenomen.
Uitkomst: Vordering tot afgifte stukken afgewezen wegens ontbreken rechtmatig belang; vonnis rechtbank bekrachtigd.