Belanghebbende, eigenaar van een bedrijfspand met een winkelruimte van 70 m², stelde in bezwaar en beroep dat de vastgestelde WOZ-waarde van €244.000 te hoog was. De Heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten in dezelfde straat, waarbij de kapitalisatiefactor van 10,5 werd gehanteerd.
De Rechtbank oordeelde dat de Heffingsambtenaar de waarde voldoende aannemelijk had gemaakt en wees het beroep af. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat het taxatieverslag niet tijdig was overgelegd, de kapitalisatiefactor te hoog was, de hoorzitting niet correct was verlopen en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
Het Hof stelde vast dat het taxatieverslag tijdig was verstrekt en dat grondstaffels niet behoorden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De hoorzitting was naar behoren gehouden en belanghebbende kon zijn standpunten mondeling toelichten. De gebruikte vergelijkingsobjecten en kapitalisatiefactor waren passend en het huurcontract van 2019 was niet relevant voor de waardepeildatum 2017.
De redelijke termijn voor bezwaar en beroep was niet overschreden, zodat geen vergoeding van immateriële schade toekwam. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Proceskosten werden niet toegewezen.