5.7.veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op nihil.
Vorderingen in hoger beroep
10. De vrouw is tijdig in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Zij vordert in hoger beroep, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
- het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen althans deze aan hem te ontzeggen, en voorts;
- primair, de proceskosten in beide instanties tussen partijen te compenseren, subsidiair, de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
11. De man heeft geconcludeerd:
- in principaal appel: tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel met verbetering van rechtsgronden en de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen;
- in incidenteel appel: tot vernietiging van het bestreden vonnis waar het de afwijzing van de subsidiaire vordering van de man betreft en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te machtigen, indien de vrouw haar medewerking blijft onthouden, al datgene te doen dat nodig is om tot verkoop van de woning te komen en hem vervangende toestemming te verlenen om mede namens de vrouw een redelijk bod op de woning te aanvaarden, de koopovereenkomst namens de vrouw te tekenen en mede namens de vrouw het nodige te doen om de woning aan de koper te kunnen leveren, en het te wijzen arrest op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats te laten treden van alle hiervoor genoemde handelingen waaraan de vrouw haar medewerking onthoudt;
- met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
12. De vrouw heeft in incidenteel appel geconcludeerd, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man af te wijzen dan wel hem deze te ontzeggen en voorts, primair, de proceskosten in het incidentele appel tussen partijen te compenseren, en subsidiair, de man te veroordelen in de proceskosten in het incidentele appel.
13. Bij akte van 4 december 2020 heeft de man zijn incidenteel appel ingetrokken, behoudens zijn vordering de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
Ontwikkelingen na het bestreden vonnis
14. Alvorens de grieven te bespreken zal het hof kort de ontwikkelingen schetsen die zich na het bestreden vonnis van 18 december 2019 hebben voltrokken. Op 3 maart 2020 hebben partijen een verkoopopdracht voor de woning ondertekend, waarbij de vraagprijs van de woning in overleg met de makelaar is bepaald op € 219.500,-.
15. De makelaar heeft vervolgens met vijf belangstellenden een afspraak gemaakt om de woning op 19 mei 2020 te bezichtigen. De vrouw heeft aan de makelaar meegedeeld dat deze bezichtigingen niet konden doorgaan, waarna de afspraken met de belangstellenden zijn verzet naar 20 mei 2020.
16. Op 19 mei 2020 heeft de advocaat van de vrouw aan de makelaar laten weten dat de vrouw ook de afspraken van 20 mei 2020 niet wilde laten doorgaan, omdat zij in een vergevorderd stadium zou zijn om de woning zelf over te nemen voor de vraagprijs van € 219.500,-. De makelaar heeft hierop aan de vrouw laten weten het noodzakelijk te vinden om de afspraken toch door te laten gaan.
17. Op 20 mei 2020 heeft de makelaar aangebeld bij de vrouw om de woning met vier belangstellenden te bezichtigen. De vrouw was toen niet thuis, althans er werd niet open gedaan.
18. De man heeft in kort geding onder andere om de afgifte van de huissleutels door de vrouw gevorderd, zodat de makelaar toegang kan krijgen tot de woning. Bij vonnis van 19 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is deze vordering van de man afgewezen, omdat tijdens de mondeling behandeling was gebleken dat de vrouw de huissleutels inmiddels aan de makelaar had gegeven. In die procedure is namens de vrouw het volgende naar voren gebracht (r.o. 3.3):
‘De vrouw heeft de bezichtigingen op 19 en 20 mei 2020 afgezegd, omdat zij een financiering probeerde te regelen om de woning te kunnen kopen. Inmiddels heeft de vrouw besloten deze poging te staken en heeft zij de sleutels van de woning aan de makelaar overhandigd.’
19. In voormeld kort geding vonnis van 19 juni 2020 is de vrouw veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op € 1.039, 96. De voorzieningenrechter heeft daarover als volgt overwogen (r.o. 4.5):
‘Hoewel de man als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Uit de stellingen van de man volgt dat de vrouw zich lange tijd tegen de verkoop van de woning heeft verzet, zelfs nadat zij bij vonnis van 18 december 2019 was bevolen om haar medewerking daaraan te verlenen. Niet is gebleken dat zij de woning ooit heeft kunnen kopen, zodat zij met het afzeggen van de bezichtigingen het verkoopproces heeft vertraagd. Tijdens de mondeling behandeling heeft de vrouw opgemerkt dat “haar standpunt sinds deze weekfundamenteelanders is” en dat zij de sleutel inmiddels bij de makelaar had ingeleverd. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat dit kort geding nodig is geweest om, pas na dagvaarding, tot een sleutelafgifte te komen en een erkenning van de afdwingbaarheid (en noodzaak) van de verkoop van de woning. Het ligt daarom in de rede dat de vrouw de proceskosten aan de zijde van de man vergoedt. (…)’.
20. Op 27 augustus 2020 hebben partijen afgesproken dat de vrouw de woning zal kopen voor een bedrag van € 224.500,- onder de voorwaarde dat de vrouw uiterlijk op 4 september 2020 het bij de deurwaarder openstaande saldo van € 9.999,84 terzake van verbeurde dwangsommen uit hoofde van het bestreden vonnis zal voldoen en dat de vrouw de financiering van de woning binnen een redelijk termijn (van acht weken) rond zal krijgen.
21. Bij notariële akte van 5 november 2020 is de woning geleverd aan de vrouw.
Inzet van het hoger beroep
22. Het hof stelt het volgende voorop. De onderhavige procedure is door de man gestart met de bedoeling de medewerking van de vrouw aan een spoedige verkoop van de woning in rechte af te dwingen. Uit de hiervoor geschetste ontwikkelingen is gebleken dat de woning inmiddels op 5 november 2020 is geleverd aan de vrouw. Daarmee behoort het belangrijkste geschilpunt tussen partijen, te weten: de onverdeeldheid van de woning en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, tot het verleden. De inzet van het hoger beroep is thans derhalve beperkt tot de dwangsomveroordeling en proceskostenveroordeling van de vrouw in het bestreden vonnis. De grieven van de vrouw in het principale appel hebben – voornamelijk – betrekking op deze twee punten.
Bespreking van de grieven
Heeft de rechtbank voldoende rekening gehouden met de mogelijkheden van de vrouw om de woning over te nemen?
23. Volgens
grief 1heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de mogelijkheden van de vrouw om de woning over te nemen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank geen althans onvoldoende rekening gehouden met de pogingen die zij in de periode 2008-2019 heeft ondernomen om de woning over te kunnen nemen. Waar de rechtbank in r.o. 4.3 van het bestreden vonnis wijst op ‘het gebrek aan initiatief aan de zijde van de vrouw (…) om de woning over te nemen’, gaat de rechtbank er volgens de grief aan voorbij dat uit de ingebrachte bewijsstukken blijkt dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om de woning te kunnen herfinancieren. De vrouw wijst onder andere op de volgende bewijsstukken: een taxatierapport uit 2009, een hypotheekofferte uit 2011 en een financieringsopzet uit 2015 (producties 11, 12 en 14 bij MvG). Volgens de grief komt het vooral door de opstelling van de man dat het de vrouw niet – eerder – is gelukt om de woning over te nemen. In dat verband wijst de vrouw op een verklaring van haar financieel adviseur waaruit zou blijken dat laatstgenoemde vanaf 2011 diverse hypotheekoffertes heeft opgevraagd voor de vrouw, maar dat de man nimmer zijn handtekening heeft gezet op het formulier Ontslag Hoofdelijke Aansprakelijkheid (productie 15 bij MvG).
24. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd voert hij aan dat hij steeds heeft aangegeven niet in onverdeeldheid te willen blijven zitten, dat hij als gevolg van de te late betalingen van de hypotheeklasten door de vrouw betalingsherinneringen heeft ontvangen van de bank en dat de vrouw verschillende malen heeft aangegeven dat zij de woning graag wil overnemen maar dat het haar steeds niet lukte om de financiering rond te krijgen. In de kern betoogt de man dat de vrouw niet heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde.
25. Het hof overweegt als volgt. De eerste grief van de vrouw heeft betrekking op de hoofdveroordeling tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de woning. De vrouw heeft belang bij beoordeling van deze grief omdat de dwangsom aan deze hoofdveroordeling is gekoppeld. Het hof is van oordeel dat deze grief tevergeefs is voorgesteld. Het hof legt dat als volgt uit. Hoewel de vrouw de man herhaaldelijk heeft aangegeven de woning graag zelf te willen overnemen, en zij daartoe ook wel inspanningen heeft geleverd door te informeren naar haar financieringsmogelijkheden, is het partijen in een lange periode tussen 2008 en 2020 niet gelukt de man te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De man heeft de vrouw herhaaldelijk aangegeven dat hij de woning wenst te verkopen, aan de vrouw of aan een derde, zodat hij niet langer aansprakelijk zou zijn voor de hypotheeklasten van de woning. Het hof acht deze opstelling van de man alleszins redelijk, te meer nu hij meermalen een betalingsherinnering heeft ontvangen van de bank in verband met niet tijdige betalingen van de hypotheeklasten door de vrouw.
26. Naar het oordeel van het hof lag het op de weg van de vrouw om op enig moment te accepteren althans in te zien dat de woning niet door haar overgenomen zou kunnen worden. Het hof wijst in dit verband op het vonnis van 7 november 2013, waaruit blijkt dat de vrouw destijds verwachtte voor het einde van het jaar duidelijkheid te hebben over haar financiële situatie en die van haar partner, dat de vrouw erkent dat de woning verkocht zal moeten worden indien zal blijken dat zij financieel niet in staat is de woning over te nemen, en dat zij in dat geval bereid is alle medewerking aan de verkoop en levering van de woning te verlenen. De vrouw is deze toezegging niet nagekomen, omdat is gebleken dat zij ook na 2013 heeft volgehouden de woning te kunnen overnemen. De man heeft de vrouw bij brief van 13 mei 2019 nog voor een laatste maal in de gelegenheid gesteld de financiering voor de overname van de woning rond te krijgen. Hierin is de vrouw toen opnieuw niet geslaagd.
27. De rechtbank heeft de primaire vordering van de man toegewezen op grond van een afweging van de wederzijdse belangen van partijen, waarbij de rechtbank het belang van de man bij voortgang van de verdeling met het door hem beoogde ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening zwaarder heeft gewogen dan het belang van de vrouw om – de zaak aan te houden teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen – de woning eventueel zelf te kunnen overnemen. Gelet op het tijdsverloop sinds het bevel om tot verdeling van de gemeenschap over te gaan en het zwaarwegende belang aan de zijde van de man om een einde te maken aan de onverdeeldheid, sluit het hof zich aan bij dit oordeel van de rechtbank. Dit betekent dat grief 1 faalt.
28. In
grief 2voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom heeft opgelegd. De grief komt erop neer dat de man geen belang heeft bij een dwangsomveroordeling van de vrouw, omdat uit de eerste grief reeds blijkt dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om de woning op haar naam te krijgen en de man niet duidelijk heeft gemaakt dat er sprake kan zijn van vrees dat de vrouw zich niet zou houden aan een veroordeling om de woning in de verkoop te brengen.
29. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd voert hij aan dat de opgelegde dwangsommen – die volledig zijn verbeurd – voor de vrouw onvoldoende prikkel zijn gebleken om mee te werken aan de verkoop van de woning.
30. Tegen de achtergrond van hetgeen is overwogen bij de bespreking van grief 1, is het hof van oordeel dat de rechtbank voldoende aanleiding had om de vrouw te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. Daarbij betrekt het hof eveneens de opstelling van de vrouw in de periode na het bestreden vonnis, zoals weergegeven in r.o. 14 e.v. van het onderhavige arrest. Dit betekent dat ook grief 2 faalt.
31. In
grief 3voert de vrouw aan dat de rechtbank de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. Volgens de grief brengt de verhouding tussen partijen als gewezen echtgenoten met zich dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Verder betoogt de vrouw dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij in de proceskosten is veroordeeld. Subsidiair betoogt de vrouw dat de man dient te worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
32. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de man is de vrouw gelet op haar laakbaar gedrag door de rechtbank terecht in de proceskosten veroordeeld.
33. Het hof kan zich vinden in de proceskostenveroordeling van de vrouw in eerste aanleg. Voor de motivering hiervan verwijst het hof naar hetgeen is overwogen bij de bespreking van grief 1. In aansluiting hierop zal het hof de vrouw ook in hoger beroep veroordelen in de proceskosten, zoals de man heeft gevorderd. Deze kosten zullen volgens het liquidatietarief vastgesteld worden op een totaal van € 2.003,-, dat als volgt is opgebouwd: € 332,- aan griffierecht en € 1.671,- aan salaris advocaat (1,5 x tarief II).
34. Het bewijsaanbod van de vrouw om haar financieel adviseur te horen, zal het hof passeren als niet terzake dienend; het hof verwijst hiervoor naar r.o. 26.