Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 mei 2020
[appellante],
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
samenvatting geschil en het bestreden vonnis
[appellante] heeft het onderhavige executiegeschil aanhangig gemaakt teneinde, kort gezegd, de executie van het verstekvonnis te schorsen. [geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd waarna de gevorderde schorsing in het bestreden vonnis is afgewezen en het gehuurde op dezelfde dag (21 november 2018) is ontruimd.
Uit een bij de memorie van antwoord overgelegde productie blijkt dat het door [appellante] tegen het verstekvonnis aangetekende verzet op 18 april 2019 door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag ongegrond is verklaard (zaak- en rolnummer: 7305351 CV EXPL 18-4576) (hierna: het verzetvonnis).
Hierbij heeft de voorzieningenrechter nog overwogen dat de kantonrechter in de verstekprocedure middels de (uitvoerige) dagvaarding kennis heeft kunnen nemen van de (bij [geïntimeerde 1] bekende) verweren van [appellante] en deze dus heeft kunnen meenemen in zijn beoordeling. De verweren die [appellante] in dit kort geding in eerste aanleg heeft gevoerd, hadden volgens de voorzieningenrechter, indien deze verweren bij de kantonrechter in de verstekprocedure bekend waren geweest, niet tot een andersluidend oordeel in het verstekvonnis kunnen leiden.
opzegging(grief 2), dat de executie van het verstekvonnis een noodtoestand aan haar zijde heeft veroorzaakt (grief 3), dat het verstekvonnis op een juridische misslag berust (grief 4) en dat zij in het bestreden vonnis ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld (grief 5).
Eigen Haard-beslissing van de Hoge Raad van 28 september 2018; ECLI:NL:HR:2018:1810), waardoor eveneens verzuimd is op goede gronden te beoordelen of het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad kon worden verklaard.
Eigen Haard-beslissing prejudiciële vragen beantwoord over de uitleg van artikel 6:265 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad heeft hierbij (onder meer) overwogen dat de kantonrechter, in het kader van de ‘tenzij-clausule’ van voornoemd artikel, ook in verstekzaken bij de beoordeling van de ontbindingsvordering van een huurovereenkomst een belangenafweging moet maken op grond van de hem kenbare feiten en omstandigheden.
De kantonrechter heeft hiermee ex artikel 139 Rv Pro (ambtshalve) getoetst of het gevorderde niet in strijd is met het objectieve recht en of de aangevoerde gronden (zowel de juridische als de feitelijke grondslag) het gevorderde kunnen dragen (deze laatste toets geeft de rechter de mogelijkheid om een vordering ex artikel 6:265 BW Pro kritisch te bezien). Weliswaar blijkt uit het verstekvonnis niet expliciet dat de kantonrechter de door [appellante] bedoelde belangenafweging heeft gemaakt, maar dat betekent niet (automatisch) dat de kantonrechter de vordering onjuist heeft beoordeeld. Deze belangenafweging in het kader van artikel 6:265 lid 1 BW Pro kan reeds omsloten liggen in de toets die de kantonrechter ex artikel 139 Rv Pro heeft aangelegd.