ECLI:NL:GHDHA:2020:873
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid vennoot voor naheffingsaanslag omzetbelasting eerste kwartaal 2016
Belanghebbende was in het eerste kwartaal van 2016 vennoot en onbeperkt bevoegd binnen de VOF, waardoor hij op grond van artikel 33, eerste en tweede lid, Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk is voor de belastingschuld uit de naheffingsaanslag omzetbelasting. De naheffingsaanslag betrof een bedrag van €59.637, vermeerderd met kosten en rente tot een totaal van €63.664.
Belanghebbende voerde aan dat hij niet aansprakelijk was omdat hij zich met terugwerkende kracht had laten uitschrijven als vennoot en dat hij de onjuiste aangifte had proberen te corrigeren. Het Hof oordeelde dat de uitschrijving bij de Kamer van Koophandel geen effect had op zijn aansprakelijkheid voor de periode dat hij vennoot was en dat hij zich ook na de naheffingsaanslag als vennoot bleef gedragen. Daarnaast faalde belanghebbende in de bewijslast dat het niet aan hem te wijten was dat de belasting niet werd voldaan, mede omdat hij de teruggaaf op zijn privérekening ontving en het bedrag niet had gereserveerd voor terugbetaling.
Belanghebbende stelde subsidiair dat hij recht had op een vergelijkbare regeling als zijn medevennoot, die een betalingsregeling trof. Het Hof verwierp dit beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat er verschillen waren tussen de bestuurders en het tot de beleidsvrijheid van de ontvanger behoort om al dan niet afspraken te maken. Ook de verrekening van een teruggaaf inkomstenbelasting met de aansprakelijkstelling was volgens het Hof terecht.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de beschikking aansprakelijkstelling bevestigd.