Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 april 2020
[appellant],
Stuifmeel Beheer B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
om nietde volgende punten over aan huurder in de staat waarin ze verkeren
eerstegrief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis dat bepalend is of Stuifmeel op een voor een huurder gebruikelijke wijze en als goed huisvader het gehuurde heeft schoongehouden en dat in dat kader het 1 x per jaar bewassen van de gevel en luifel voldoende is. De
tweedegrief is gericht tegen het opdragen van bewijs aan [appellant] dat Stuifmeel niet jaarlijks de gevelbeplating en de luifel heeft schoongemaakt. In de toelichting op deze grieven heeft [appellant] aangevoerd dat op Stuifmeel de verplichting rustte om het gehuurde bij het einde van de huur in goede staat en zonder gebreken op te leveren (art. 10.1.1 en 10.1.2). Aan die verplichting heeft Stuifmeel niet voldaan: zij heeft het huurpand achtergelaten met een door corrosie aangetaste gevel- en luifelbeplating. Voorts heeft Stuifmeel niet voldaan aan de in artikel 11.1 van de algemene bepalingen geformuleerde verplichting om schade als gevolg van onder meer weersgesteldheid en omgevingsfactoren te voorkomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 11.3 is Stuifmeel alleen dan niet aansprakelijk voor ontstane schade indien zij bewijst dat haar “daaromtrent geen schuld treft of dat …(haar) dienaangaande geen nalatigheid is te verwijten”. Daarbij komt dat Stuifmeel [appellant] niet op de hoogte heeft gesteld van het optreden van corrosie (artikel 11.1). Daardoor is aan [appellant] de mogelijkheid ontnomen om vroegtijdig in te (doen) grijpen om verergering van de schade te voorkomen. Wanneer eenmaal per jaar bewassing het optreden van corrosie niet voorkomt dan vereist de verplichting om schade te voorkomen om frequenter en adequater te reinigen. Dat zou corrosie hebben voorkomen. Het is aan Stuifmeel om te bewijzen dat zij de ontstane corrosie niet had kunnen voorkomen. De kantonrechter had [appellant] geen opdracht mogen geven om te bewijzen dat iets niet is gebeurd zonder Stuifmeel eerst opdracht te geven om gegevens met betrekking tot het door haar (beweerdelijk) gepleegde gevel- en luifel-onderhoud te verstrekken (zoals nota’s van schoonmaakbedrijven, nota’s van de huur van hoogwerkers en/of ander gebruikt materieel, opgave van betrokken medewerkers en dergelijke), aldus [appellant].
derdegrief is gericht tegen het oordeel van kantonrechter dat de vordering ter zake van de vergoeding van de (magazijn)stellingen niet toewijsbaar is. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat de stellingen zijn eigendom waren, dat de stellingen ook niet voorkomen op het lijstje van
om nietovergedragen zaken (p. 9 bovenaan huurcontract), dat er geen sprake is van een mededeling waaruit Stuifmeel heeft mogen opmaken dat [appellant] die stellingen om niet overdroeg of zou overdragen en dat Stuifmeel ook (blijkens de als producties 23A en 23B overgelegde e-mails) heeft erkend dat de stellingen tot het inrichtingspakket (art. 8.1 van het huurcontract) gerekend moesten worden. Het hof overweegt als volgt. [appellant] beroept zich op de afspraken die ten tijde van de huurovereenkomst zijn gemaakt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat dit onverlet laat dat er later nadere afspraken zijn gemaakt. Nu uit de opleveringslijst van 12 december 2005 volgt dat het meubilair (waaronder de stellingen) achter zou blijven, mocht Stuifmeel daaruit redelijkerwijs afleiden dat de (magazijn)stellingen aan hem om niet overgedragen zouden worden. Ook de e-mail van 4 november 2005 (productie 23B) van [appellant] aan Stuifmeel ondersteunt dat oordeel, nu daarin wordt aangegeven dat de lijst
om nietover te dragen punten wordt uitgebreid “met het aanwezige meubilair, magazijnstellingen (..) enz.” Ook de derde grief faalt dus.