Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 april 2020
1. [appellant sub 1],
2. [appellant sub 2],
Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten,
Het geding
26 november 2019. [appellant sub 1] c.s. hebben daarop gereageerd bij akte van 4 februari 2020. Partijen hebben arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
“NIET ONTVANGEN OPGEVRAAGDE GEGEVENS”(zie eindrapportage VRO) alsnog zijn verstrekt. Het gaat dan om de volgende stukken:
“digitale bankafschriften”waar [appellant sub 1] c.s. aan refereren zijn uitdraaien van een administratief softwarepakket. Dat met het gebruik van dit softwarepakket is zeker gesteld/geborgd dat de daarin genoemde betalingen daadwerkelijk zijn gedaan is gesteld noch gebleken. Dat deze uitdraaien gebruikelijk zijn in de praktijk van administratiekantoren maakt dit niet anders. Dat er door de banken geen standaard papieren betalingsafschriften meer worden verstrekt – wat op zichzelf een feit van algemene bekendheid is – is niet relevant. Het had op de weg van [appellant sub 1] c.s. gelegen om via de bank deugdelijke betalingsbewijzen van de betalingen aan specifiek de steekproefpersonen te krijgen en deze over te leggen. Niet is in te zien dat dit voor [appellant sub 1] c.s. geen begaanbare weg zou zijn.
grief IIfaalt.
grieven III en IVbetogen [appellant sub 1] c.s. dat er geen benadeling van uitzendkrachten is, dat er geen reden is hen een dwangsom op te leggen en er ook geen sprake is van een schadelast van € 135.310,-- die aan de betrokken uitzendkrachten althans aan SNCU zou moeten worden voldaan. Volgens [appellant sub 1] c.s. kunnen zij niet aan de vordering voldoen omdat zij de onderneming in 2015 hebben gestaakt en niet meer over alle benodigde gegevens van de ex-werknemers beschikken. Ook is volgens [appellant sub 1] c.s. niet in te zien dat zij een jaar na de beëindiging van de onderneming nog zouden kunnen worden gehouden nabetalingen te doen aan de ex-werknemers.
“bij het niet naleven van de CAO’s op de in de ingebrekestelling vermelde punten”is door hen niet bestreden. Hiervoor is al geoordeeld dat van een dergelijke situatie sprake is. De hoogte van het schadebedrag zelf (€ 135.310,--), die volgt uit het rapport van VRO, is met deze grieven niet inhoudelijk en/of cijfermatig bestreden.
grief Vbetogen [appellant sub 1] c.s. dat zij de forfaitaire schadevergoeding van
€ 23.481,-- niet verschuldigd zijn omdat zij de verzochte stukken aan VRO/SNCU hebben verstrekt, en dat dit forfaitaire schadebedrag bovendien niet is onderbouwd. Subsidiair verzoeken [appellant sub 1] c.s. dit schadebedrag te matigen.
grief VIbetogen [appellant sub 1] c.s. dat de buitengerechtelijke incassokosten niet dan wel onvoldoende zijn gespecificeerd zodat deze niet, althans niet volledig konden worden toegewezen.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, aan de betrokken uitzendkrachten ter zake van aan elk van hen te weinig betaald loon en/of reserveringen de materiële schadelast van € 135.310,-- na te betalen, binnen vier weken na betekening van dit arrest;
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, aan SNCU te betalen het bedrag dat niet binnen vier weken na betekening van dit arrest is betaald aan de betrokken uitzendkrachten ter zake van de materiële schadelast van € 135.310,--;
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, aan SNCU te betalen een bedrag van € 5.000,-- als forfaitaire schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, aan SNCU te betalen een bedrag van € 1.815,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s. tot betaling van de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van SNCU tot op 18 december 2015 begroot op € 1.028,16 aan verschotten en € 700,-- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [appellant sub 1] c.s in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van SNCU tot op heden begroot op € 5.213,-- aan griffierecht en € 11.064,-- aan salaris advocaat (tarief V, 3,5 punten), en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- wijst de overige vorderingen van SNCU af;