Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Arrest d.d. 4 februari 2020
[appellant] , erfgename van wijlen
[naam onderneming] B.V.,
Het geding
19 maart 2019 weer bij dit hof aanhangig gemaakt. Bij die gelegenheid is aan deze zaak bovengenoemd nummer toegekend.
’s-Gravenhage, locatie Gouda van 6 augustus 2009, 3 december 2009 en 24 februari 2011, zoals deze tussen [geïntimeerde] en [X] zijn gewezen.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
“ [B] ”in
“ [naam 2] B.V.”. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten luidt sindsdien:
“de contractuele pensioenverplichtingen”en subsidiair schadevergoeding gevorderd vanwege het niet afdragen van pensioenpremies, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
€ 75.000,--, althans een in een goede justitie te bepalen voorschot, met een proceskostenveroordeling in beide instanties.
grief 1beoogt [appellant] een volledige herbeoordeling van het geschil in eerste aanleg. De vorderingen in hoger beroep verschillen echter met die in eerste aanleg. Daar komt bij dat [appellant] in de memorie van grieven onder 15 stelt dat zij geen belang meer heeft bij de vorderingen in eerste aanleg inzake het WAO/WIA-gat. Deze vorderingen maken daarom verder geen deel uit van de procedure in hoger beroep. Voor de rest heeft
grief 1 geen zelfstandige betekenis en wordt deze niet verder behandeld.
grieven 2 tot en met 7betoogt [appellant] dat er van verjaring en/of rechtsverwerking geen sprake is. Er is geen
grief 8aangevoerd.
Grief 9luidt dat een premievrij pensioen een arbeidsvoorwaarde van [X] was. Met
grief 10betoogt [appellant] dat [X] op grond van de CAO en/of de verplichtstellingsbeschikking recht had op deelname aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek. Deze grieven gaan alle over de vraag of [X] nog recht had op de opbouw van een premievrij ouderdomspensioen zoals hij dat tot
1 januari 1985 opbouwde bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek. In die zin lenen deze grieven zich voor gezamenlijke behandeling.
“betrokken”geweest bij de activiteiten van de werkmaatschappijen. Deze activiteiten vielen onder het toepassingsbereik van deze regelingen. [appellant] doet een beroep op – de van tijd geldende versies – van art. 4a en 4b van de CAO en art. 22 van Pro de Verplichtstellingsbeschikking. Het hof verwerpt deze stelling. Deze regelingen dienen volgens de CAO-norm te worden uitgelegd. In deze regelingen is de betrokkenheid van de werknemer bij de activiteiten van de onderneming
van de werkgeverbepalend voor het recht op deelname aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek. [geïntimeerde] was de werkgever van [X] en hield zich bezig met beleggingsactiviteiten. Deze activiteiten zijn van andere aard dan de in de CAO en/of de Verplichtstellingsbeschikking(en) genoemde ‘branche-eigen’ activiteiten. Het feit dat deze andersoortige activiteiten in hoofdzaak waren gericht op [B] verandert de aard van deze activiteiten niet. In de CAO’s en en/of de Verplichtstellingsbeschikking(en), dan wel in de officiële toelichtingen daarop, is geen aanknoping te vinden om het werkgeversbegrip zo te lezen dat dit de grenzen van de rechtspersoonlijkheid overschrijdt. Het feit dat de activiteiten van [B] wel onder deze werkingssfeerbepalingen vielen is daarom niet relevant.