ECLI:NL:GHDHA:2020:765

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
7 april 2020
Zaaknummer
200.270.109
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis rechtbank inzake onrechtmatige hinder door boom in gemeenteplantsoen

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of een boom in een gemeenteplantsoen onrechtmatige hinder veroorzaakt door het wegnemen van licht en of er gevaar bestaat dat de boom omwaait. Appellant vorderde primair verwijdering van de boom en subsidiair het snoeien van takken die over zijn perceel hangen.

Het hof heeft de zaak beoordeeld volgens de Second Opinion-procedure, waarbij partijen instemden met een versnelde behandeling en het oordeel van het hof op basis van de stukken in eerste aanleg. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank overgenomen en het vonnis van 31 juli 2019 bekrachtigd.

De vorderingen van appellant zijn afgewezen en hij is veroordeeld in de beperkte kosten van het hoger beroep, bestaande uit het griffierecht van € 741,-. Het hof vond geen aanleiding voor nadere motivering gezien de procedurele afspraken en het eerdere vonnis.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellant af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.270.109/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/556149 / HA ZA 18-764

arrest van 24 maart 2020

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. D.D. Senders te Leusden,
tegen

de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

zetelend te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen te Den Haag.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot 21 januari 2020 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. De behandelend advocaten hebben beiden een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. De mondelinge behandeling na aanbrengen heeft geen doorgang gevonden. Voornoemd verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure is toegestaan, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

2. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de rechtbank Den Haag niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd, te weten primair de Gemeente te verplichten de abeel te verwijderen en verwijderd te houden en subsidiair de Gemeente te verplichten de takken die zich boven het perceel van [appellant] bevinden te verwijderen en verwijderd te houden, althans die takken zo ver terug te snoeien en gesnoeid te houden dat die geen onrechtmatige hinder meer veroorzaken.
3. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop het bestreden vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak in hoger beroep wordt dus beoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
4. Het hof – dat kennis heeft genomen van de stukken van de eerste aanleg – neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
5. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door de Gemeente betaalde griffierecht van € 741,-.

Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2019;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op € 741,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.E.H.M. Pinckaers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.